Mijn Bidweg naar Lourdes door Hans Jager

Inleiding

In dit verhaal wil ik vertellen over Lourdes en wat Lourdes met mij doet. Ik ben al vele malen naar deze stad in Zuid-Frankrijk geweest.
Hier, waar in 1858 de heilige Maagd Maria 18 maal aan de kleine Bernadette is verschenen. Deze Heilige plaats aan de grot van Massabielle trekt mij nog steeds en zal mij altijd blijven trekken. Ook andere Mariabedevaartsoorden trekken mij en bezoek ik regelmatig. Zoals in Parijs in de Rue du Bac, waar de kapel van de Wonderdadige Medaille is en maandelijks ga ik naar o.l.v. Maagd der Armen in Banneux.

Verder bezoek ik in Maastricht vaker de Sterre der Zee. Ik begin nu met Lourdes. Die andere komen misschien later ook nog.

Ik hoop dat mijn verhaal anderen er toe beweegt om ook eens de reis naar dit bedevaartsoord te willen maken.

Inhoud

Hoofdstuk 1: Wie is Hans Jager

Hans Jager

Om te beginnen zal ik iets over mij zelf vertellen.Wie ben ik en wat brengt mij er toe naar Lourdes te gaan.

Op 22 november 1951 ben ik geboren in Hoensbroek, als derde zoon van pap en mam Jager. Na mij zijn er in ons gezin nog drie meisjes geboren. Mijn ouders zijn rooms-katholiek en hebben ons ook zo opgevoed. Ik heb een gelukkige en zorgeloze jeugd gehad, dankzij mijn ouders. Pap was eerst mijnwerker en later is hij woningstoffeerder geworden. Hij verdiende zo met hard werken de kost voor zijn gezin. Zoals het toen de gewoonte was in een goed katholiek gezin, moest je, als je op de lagere school zat, iedere ochtend naar de kerk. Na de mis ging je dan gauw naar huis om te ontbijten en dan naar school. Nadat ik de eerste communie had gedaan, werd ik, evenals mijn broers, misdienaar.

Na de Lagere School heb ik eerst de Mulo geprobeerd, maar dat was een mislukking. De L.T.S. was een betere keuze en na twee jaar iedere dag naar Heerlen te fietsen, kon ik gaan werken als leerling-meubelmaker. Dit heb ik 2 jaar gedaan. Toen ben ik vrijwillig in militaire dienst gegaan en heb ik voor 5 jaar getekend als Technisch Specialist bij de landmacht. Ik ben daar magazijnmedewerker en chauffeur geweest bij de 44e Technische Dienst Herstel Compagnie. Hier heb ik mijn groot rijbewijs gehaald en begon mijn liefde voor het chauffeursvak. Met het geloof ging het toen minder. Het was soms wel lastig om zondagsmorgens vroeg op te staan en naar de kerk te gaan. Ik ben toen in het kerkkoor gegaan om dat ik graag zong en zo het nuttige met het aangename kon verenigingen.

In het laatste jaar van mijn diensttijd leerde ik Trudie kennen. Ze was niet mijn eerste liefde, maar wel mijn grootste. Vlak voor ik uit dienst ging, zijn we voor de Wet getrouwd. Toen ik weer een baan had bij een houthandel en we een bovenwoning konden krijgen bij mijn grootouders, zijn we in september 1974 voor de kerk getrouwd. Trudie komt ook uit een rooms-katholiek gezin, met 17 kinderen. Haar vader was tuinder en een hardwerkende vader. Haar moeder zorgde voor haar grote gezin. Trudie was bejaardenverzorgster toen ik haar leerde kennen en werkzaam in een bejaardentehuis. Toen we getrouwd waren, zijn we bij mijn opa en oma boven gaan wonen. Trudie kon heel goed met mijn opa en oma opschieten en heeft ze beiden verzorgd tot het laatst. Wij hebben daar bij mijn opa en oma een gezellige tijd gehad en daar zijn ook onze drie kinderen geboren. We zijn toen ons geloof weer intensiever gaan beleven en gingen zo regelmatig eens naar Bannuex. Toen heb ik ook een keer of vijf te voet de tocht naar Banneux gemaakt, zo'n 60 km lopen. Ik heb toen gezongen in een klein mannenkoortje in het bejaardentehuis hier in Hoensbroek.

Toen dit werd opgeheven, ben ik in het gemengd koor "Paluda" gaan zingen en heb dat een paar jaar gedaan. Ik werkte als magazijnmedewerker en later als chauffeur bij een houthandel, een brouwerij, een wildhandel en een transportbedrijf. Na een periode van werkloosheid ben ik bij Limagas, een gasdistributiebedrijf begonnen en daar werk ik nu nog steeds. Het is wel na een paar fusies uitgegroeid tot het grootste energiebedrijf van Nederland. In de jaren 80 kwamen we in aanraking met de St. Bernadette-organisatie. Met deze organisatie zijn wij zijn toen, ter gelegenheid van ons 12 ½-jarig huwelijksfeest, met zijn tweetjes voor het eerst naar Lourdes gegaan. Ze hadden toen nog geen koor, dat is later dat jaar opgericht en kort daarna ben ik er ook bij gegaan. Ik ben er nog steeds bij, samen met Trudie.

Mijn vader bespeelde veel muziekinstrumenten en zingt nog steeds graag. Door zijn ziekte en ouderdom is het spelen van muziek afgelopen. In 2002 zei hij dat als iemand vijf liedjes op zijn accordeon kon spelen, de accordeon van hem was. Ik wilde wel eens proberen en na 3 maanden was de accordeon van mij. Sindsdien speel ik fanatiek op het instrument en ben later ook nog bij de Limburgse folkloregroep de Tirvelears uit Sittard gegaan en speel daar samen met nog 2 andere accordeonisten de muziek bij het dansen. Ook tijdens de bedevaarten met ons koor gaat de accordeon mee en speel ik in de bus, in het hotel en in de Pyreneeën voor de pelgrims. Dankzij mijn muzikale gave kan ik nu met muziek en zang de mensen om me heen een plezier doen met muziek. Hiervoor ben ik de hemel dankbaar omdat zij mij de gave gegeven hebben met muziek, zang en humor, zodat ik andere blij kan maken hiermee. Een lach en soms ook een emotionele traan is een beloning die niet met geld te betalen is. Ik hoop dat ik dit nog lang kan en mag doen.

Hoofdstuk 2: Lourdes door de eeuwen heen

Lourdes was in de tijd van Karel de Grote al een stadje. Het kasteel is dan bezet door de Moren. Het wordt belegerd door de legers van Karel de Grote, maar die krijgen de Moren niet zo ver dat ze zich over geven. Als Turpin, de bisschop van Puy gaat bemiddelen, zegt hij tegen de Morenhoofdman er begrip voor te hebben, dat ze zich niet aan een wereldse macht willen overgeven. Hij stelt voor dat ze zich overgeven aan de Heilige Maagd Maria. Dit doen de Moren dan ook. Ze krijgen vergiffenis van Karel de Grote en bekeren zich en Mirat laat zich dopen en neemt de naam van Lorus aan. De stad kreeg ook deze naam en is in de loop der tijden veranderd in Lourdes. Zo heeft Maria al heel vroeg Lourdes tot haar stad gemaakt. In latere tijden wordt het kasteel bewoond door edelen en het is ook lang een gevangenis.

In het begin van de 19e eeuw is het een klein provinciestadje met zo’n 4.000 inwoners. De bevolking leeft van de marmor die in de omgeving in groeves wordt geproduceerd en van de landbouw. Het zijn hardwerkende mensen. Ze zijn gehard door het zware werk in de buitenlucht, stug en in zich zelf gekeerd.

Aan de Lapaccabeek liggen een reeks van molens. In een van die molens woont de familie Soubirous. Zij hebben een zoon, François. Iets verder in de molen van Boly woont de familie Casterot, zij hebben een paar dochters. Als de molenaar Casterot sterft, wordt François naar de Casterots gestuurd om met de oudste dochter te trouwen en dan de molen van Boly te exploiteren. Hij wordt echter verliefd op de jongste dochter, Louise, en ondanks het grote verschil in leeftijd trouwen ze. Al gauw komt het eerste kindje. Op 7 januari 1844 wordt een dochter geboren, Bernadette. Als ze 10 maanden oud is, krijgt Louise een ongeluk met kokend water en is ze niet meer in staat om Bernadette te voeden. In datzelfde jaar komt Marie Laguës-Aravant (een vriendin van Louise en Bernadette's voedster), met het voorstel om de kleine astma lijdster mee te nemen naar de hofstede in Bartrès. Daar zal zij een gezonder leven kunnen leiden dan in de vochtige donkere woonstede te Lourdes en iets kunnen bijverdienen. De ouders stemmen erin toe, het is een mondje minder te voeden. Pas op 1 april 1848 komt Bernadette weer terug bij haar ouders. Het gezin Souberoux breid zich nog verder uit met, Toinette, Jean Marie en Justin.

François was een heel goede molenaar maar een slechte zakenman. Hij was te goed. Als er iemand die arm was een zak graan bracht om te malen, deed hij dat vaak voor niets. De klanten die wachtten dan in de keuken tot het meel gemalen was en kregen daar dan koffie en vaak ook een glas wijn. Als er rijken kwamen, die niet meteen betaalden, durfde hij vaak niet te gaan en het geld te halen. Zo kwam er een moment, dat de pacht van de molen niet meer betaald kon worden en moest er verhuisd worden naar een slechtere molen, en weer eens verhuisd en nog eens. Het ging steeds slechter met het gezin, tot François werkloos werd en 's morgens vroeg op moest om ergens als dagloner wat geld te verdienen. Als woning kregen ze van een neef van François het cachot, een oude gevangenis die als gevangenis was afgekeurd; het was er te vochtig. Hier leefde het gezin Soubirous met 5 personen in een kamer van 3.5 bij 3.5 meter. Ondanks deze armoede bleven ze toch vroom en vrolijk. Moeder Louise deed alles om een paar stuivers bij te verdienen, zoals de was doen voor anderen.

In de winter van 1855/1856 werkt Bernadette bij tante Bernarde in het huishouden en past op de kinderen. Tante Bernarde heeft een café in de Rue du Bourg. Dit was voor de Soubirous een mondje minder te vullen. Om dezelfde reden gaat Bernadette in september 1857 terug naar Bartrès, waar ze voor haar vroegere voedster werkt in de huishouding en hoedt ze de schapen.

Vader François wordt opgepakt voor diefstal van een zak bloem, wat hij niet heeft gedaan. Alleen omdat hij zo arm was, dacht men dat hij dat wel gedaan zou hebben. In januari 1858 is Bernadette 14 jaar en komt ze terug in het cachot bij haar ouders, omdat ze de communie wil doen. In Bartrès is geen pastoor en anders zou ze dus geen catechismusles kunnen volgen. Ze is een tenger kind met astma en aangetast door cholera, wat in 1855 een epidemie was in Lourdes. Dan wordt het 11 februari. De dag die haar hele leven veranderde en niet alleen haar leven, ook zal Lourdes nooit meer dat rustige provinciestadje zijn, wat het tot nu toe was. Het zal uitgroeien tot de tweede hotelstad van Frankrijk en miljoenen mensen zullen er hun toevlucht zoeken en dat alleen omdat Onze Lieve Vrouw dit stadje uitzocht om haar genadeoord te stichten.

Hoofdstuk 3: De verschijningen

Het is een koude dag, 11 februari 1858, Bernadette gaat met haar zus Toinette en een vriendin hout sprokkelen. Ze gaan naar de grot van Massabielle, de plaatselijke stortplaats. Als ze daar aankomen, gaan Toinette en het vriendinnetje barrevoets door de voor de grot stromende molenbeek van de houtmolen van Say. Als Bernadette gaat zitten om haar klompen en sokken uit te doen en ook door de beek te lopen, wil Toinette dat niet omdat Bernadette dan weer last krijgt van haar astma. Ze doet toch haar sokken uit, als ze opeens een windvlaag voelt. Ze kijkt op en ziet niets. Als ze doorgaat, voelt ze weer een windvlaag en dan ziet ze in en nis in de grot een mooie dame staan die haar vriendelijk toelacht. Ze valt op haar knieën en probeert een kruisteken te maken. Dit lukt haar pas als de mooie dame het haar voordoet. Deze dame noemt Bernadette altijd Aquero, wat in het Lourdes dialect “het ding” betekent. Samen met Aquero bidt ze de rozenkrans. De verschijning duurt een kwartier. De andere twee meisjes hebben niets gezien. Bernadette vroeg of ze niets tegen moeder wilden zeggen. Ze beloofde het maar Louise kon haar mond niet houden en vertelde het toch aan hun moeder. Deze verbood Bernadette nog eens terug te gaan naar de grot.

De 2de verschijning is zondag 14 februari. Bernadette gaat met een paar vriendinnetjes naar de grot. Ze heeft eerst toestemming gevraagd aan haar moeder omdat deze haar eerst had verboden te gaan. Ze neemt ook een flesje wijwater mee. Bij de grot gekomen laat ze de vriendinnetjes knielen en bidden ze samen de rozenkrans. Aquero verschijnt weldra en Bernadette sprenkelt het wijwater naar haar uit en zegt: "Als u van de hemel komt, blijf dan, maar als u van de hel komt, verdwijn". Maria lacht vriendelijk tegen Bernadette en bidt mee met de rozenkrans. Daarna verdwijnt ze weer.

De 3de keer verschijnt Maria op donderdag 18 februari. Er zijn nu ook enkele volwassenen bij. Van hun moet Bernadette Maria een papier geven waar ze haar naam op moet schrijven. Maria vraagt Bernadette om 15 dagen achter elkaar naar de grot te komen. Ook zegt ze: ”Ik kan je in deze wereld niet gelukkig maken, maar wel in de volgende.” Verder zegt ze dat er veel mensen naar de grot moeten komen. Als ze weer verdwijnt, heeft de verschijning een half uur geduurd. Het is de eerste keer dat Bernadette haar zachte maar welluidende stem hoort.

De 4de verschijning is daags daarna, vrijdag 19 februari, en duurt een kwartier. Bernadette heeft voor het eerst een gewijde kaars bij zich. Er zijn 7 vrouwen bij, waaronder een tante van Bernadette. Op 20 februari is Bernadette weer bij de grot, nu zijn er zo’n 30 personen bij. Bernadette zegt nu niets over de verschijning alleen dat de mooie witte dame weer geweest is.

Zondag 21 februari zijn er 100 mensen getuige van de 6de verschijning. Ze zien Bernadette geheel in extase en weten dan dat ze er weer is. Bernadette zegt dat Aquero heeft gezegd: ”bid voor de zondaars". 's Middags moet ze bij de politiecommissaris Jacomet komen voor een ondervraging. Zij is kalm en alle pogingen van Jacomet om haar zichzelf tegen te laten spreken, mislukken. François Soubirous moet beloven dat hij haar niet meer naar de grot laat gaan.

Op dinsdag 23 februari zegt kapelaan Pomian dat niemand het recht heeft om haar de gang naar de grot te verbieden en vader Soubirous laat Bernadette weer gaan. Dit keer zijn er weer 100 personen bij aanwezig, onder wie dokter Dozous en enkele notabelen uit Lourdes. Maria leert Bernadette een gebedje dat ze geheim houdt maar de rest van haar leven dagelijks zal bidden. Ook vraagt Maria om de geestelijken van Lourdes hier een kapelletje te laten bouwen. Woensdag 24 februari zijn er zo’n 3 tot 4 honderd mensen, als Bernadette op verzoek van Maria over de grond kruipt en hem kust tot boete voor de zondaars. Men hoort haar zeggen: ”boete, boete, boete “.

De 9de verschijning wordt één van de belangrijkste. De omgeving voor de grot staat op donderdag 25 februari vol mensen. Maria vertrouwt Bernadette een geheim toe, dat ze haar hele leven moet bewaren en dat zal ze ook doen. Dan zegt Maria: ”Ga drinken bij de bron en was u”. Eerst wil Bernadette naar de Gave gaan, maar dan wijst Maria een plaats aan achter in de grot. Als ze daar gaat graven borrelt er eerst een beetje water en al gauw veel water uit de grond. Uit deze bron komt nu zoveel water, dat ieder pelgrim die nu naar Lourdes komt, zoveel water mee naar huis kan nemen als hij wil. Dit water heeft wonderdadige krachten. Velen zijn door dit water genezen van hun kwalen en kwaaltjes. Later die dag moet Bernadette bij de Procureur van de Keizers komen voor een verhoor. De Procureur wil bewijzen, dat iemand Bernadette zegt, dat ze moet doen alsof ze een verschijning heeft om er veel geld mee te verdienen, maar met de eenvoudige en eerlijke antwoorden die ze geeft, kan hij niets anders doen dan haar weer te laten gaan, zonder dat hij haar heeft kunnen betrappen op een leugen.

De 10de verschijning is op zaterdag 27 februari en Bernadette drinkt weer van de bron en eet van het gras dat er groeit. Ook dit gras eten is voor de zondaars. Als later in een ondervraging aan Bernadette wordt gevraagd waarom de dame haar gras heeft laten eten, want dat doen toch alleen dieren, zegt ze: ”Wij eten toch ook sla.” Zondag 28 februari zijn bij de 11de verschijning al meer dan 1.100 mensen. De commandant van de gendarmerie van Tarbres, die ook aanwezig was, was erg onder de indruk. De directeur van de middelbare school ondervraagt haar ook, want hij denkt dat ze aan epilepsie lijdt, maar komt er snel achter dat Bernadette echt iets ziet.

Het is maandag 1 maart als Maria voor de 12de keer verschijnt. Er zijn ongeveer anderhalf duizend mensen aanwezig als Bernadette weer van de bron drinkt en zich wast. Het is de eerste keer, dat er een priester bij is. Het is Abbe Desirat van een naburig dorp. Daags daarna, dinsdag 2 maart, zijn er 1.650 mensen bij als Bernadette de opdracht van Maria krijgt om aan de priesters te vragen om een kapel te bouwen en om in processie naar hier te komen. Pastoor Peyramale is zo bot tegen haar, als zij het aan hem zegt van de processie, dat ze vergeet te zeggen van de kapel. Als ze dat ontdekt gaat ze s’avonds terug naar de pastorie om nog voor de kapel te vragen.

De pastoor heeft Bernadette gevraagd of de dame haar naam wil zeggen. Als Bernadette dit woensdag 3 maart tijdens de 14de verschijning doet, lacht Maria alleen. De pastoor probeert Bernadette te overtuigen, dat ze voor de gek wordt gehouden. Dit lukt niet. Hij vraagt of ze nogmaals haar naam wil vragen.

Het is marktdag in Lourdes, die donderdag 4 maart, als bij de 15de verschijning zo’n twintig duizend mensen naar de grot trekken. Als Bernadette het Haar weer vraagt, zal Maria weer zacht glimlachen. Drie kwartier duurt de vervoering van Bernadette. Weer zal ze naar de pastoor gaan en vragen naar de kapel en de processie. De pastoor blijft vragen om haar naam.

Nu zal Bernadette gedurende 20 dagen niet meer naar de grot gaan. Ze zal naar school gaan en zich voorbereiden voor de eerste heilige communie en een beetje tot rust komen.

Op het feest van Maria Boodschap, 25 maart, voelt Bernadette weer de drang om naar de grot te gaan. 's Morgens heel vroeg gaat ze met een paar familieleden naar de grot en vraagt drie keer naar Haar naam. Ze durft bijna niet meer een vierde keer te vragen, maar doet het dan toch. Dan krijgt ze als antwoord:

Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis

De pastoor heeft met deze naam problemen want je kunt geen ontvangenis zijn, een ontvangenis is een begrip en geen persoon of ding.

Weer volgt een periode dat ze niet naar de grot gaat .

De 17de verschijning is op woensdag 7 april. Bernadette heeft een kaars in haar hand en beschermt de vlam met haar andere hand. Ze heeft niet in de gaten, dat ze ruim een kwartier met haar hand in de vlam zit. Dr. Dozous zit er vlak naast, maar kan geen brandwonden ontdekken. Hij gelooft ook, dat Bernadette iets ziet.

De 18de en laatste verschijning is op de Feestdag van Onze Lieve Vrouw van de berg Carmel, vrijdag 16 juli. De grot is per decreet van 10 juli door de autoriteiten van Lourdes gesloten, daarom ziet Bernadette Maria vanaf de overzijde van de Gave. Maria heeft nu niets tegen haar gezegd, maar Bernadette zegt wel, dat ze nog mooier uitzag als de eerste keer.

Hoofdstuk 4: Na de verschijningen 

Na de laatste verschijning gaat voor Bernadette het leven weer gewoon door. Ze gaat naar school en doet bij de zusters van Nevers, die in het ziekenhuis ook een school voor armen hebben, de communie. Pastoor Peyremale zorgt er voor dat vader Soubirous weer een molen krijgt aan de Calapabeek om voor zijn gezin de kost te verdienen. De molen van Lacadé is nu bekend als het ouderlijk huis van Bernadette. Bernadette gaat bij de zusters in het ziekenhuis wonen. Dit is om haar te beschermen voor nieuwsgierigen en ook omdat dan François Soubirous een mond minder te vullen heeft. Vaak wordt Bernadette ondervraagd door de commissie die de verschijningen onderzoekt. Als ze te kennen geeft, dat ze in het klooster wil zijn er meteen verschillende Orden die haar benaderen om bij hun te komen. Na lang beraad wil ze toch bij de zusters van Nevers komen. Ze hoeft niet voor een bruidschat te zorgen, omdat haar familie zo arm is en ze in Nevers het een eer vinden, dat Bernadette bij hun wil komen, wordt de bruidschat betaald door de bisschop van Nevers. Ze doet haar postulaat bij de zusters in het ziekenhuis van Lourdes en neemt op 4 juli 1866 afscheid van haar familie en haar zo geliefde grot en vertrekt naar Nevers.Ze zal nooit meer in Lourdes komen en haar ouders zien.

In Nevers neemt ze de naam aan van zuster "Marie Bernard". Daags na haar aankomst moet ze voor alle zusters nog een keer haar verhaal vertellen, daarna mag ze er met de zusters niet meer over praten. Haar taak in het klooster wordt "ziekenverpleegster". Dit doet ze met veel liefde, zolang ze niet zelf ziek is. Omdat Moeder-Overste bang is dat Bernadette hoogmoedig wordt, zal ze haar vernederen en klein houden. Bernadette draagt dit moedig en blijft vrolijk. Ze is vaak erg ziek. Behalve astma heeft ze tuberculose en beenontkalking. Haar eerste Gelofte doet ze als ze op sterven ligt. Als ze daarna weer beter wordt, moet ze deze noodgelofte overdoen. Ze schrijft veel brieven naar haar broers en zussen en naar haar petekind, waar ze veel van houdt. Ze geeft hen altijd goede raad en houdt hun altijd voor om geen misbruik te maken van het feit dat ze haar familie zijn en zich daardoor te verrijken. Ze houdt hen steeds voor gewoon en vroom te blijven. Ze wordt ook vele malen gevraagd haar verhaal te doen in de verhoren van wereldlijke en kerkelijke autoriteiten. Ook komen vaker deftige dames naar het klooster, die Bernadette willen zien. Na een donatie voor het klooster mogen ze dan Bernadette spreken. Zij ondergaat deze bezoeken gelaten, hoewel ze deze niet prettig vindt. Ze vindt, dat ze wordt tentoongesteld, als in een dierentuin.

Haar gezondheid wordt steeds slechter en zelfs op haar sterfbed moet ze nog eens een getuigenis afleggen dat ze Maria echt heeft gezien.
Op 15 april 1879, de woensdag na Pasen, komt Maria voor de laatste keer naar Bernadette. Om drie uur 's middags komt ze Bernadette ophalen en brengt haar voor haar grote liefde, Jezus Christus. Ze overlijdt in Nevers en wordt dan begraven in de St. Jozefkapel in de tuin van het klooster.

In 1925 wordt ze Zalig verklaard. Ze wordt daarom opgegraven en dan zien de dokters en andere geestelijken, die het onderzoek doen, dat haar lichaam nog geheel ongeschonden is. Als ze haar ogen openen zijn deze nog heel helder. Na dit onderzoek wordt ze weer begraven. Voor het onderzoek bij haar Heiligverklaring wordt ze nog eens opgegraven en als blijkt, dat het lichaam nog gaaf is, wordt ze in een glazen schrijn in de kapel opgebaard. Hier is ze nu te zien voor een ieder die haar vereert.

Paus Pius XI zal haar op 8 december 1933 Heilig verklaren. Haar feestdag wordt gevierd op 15 februari, de dag van de derde verschijning. De dag waarop Maria haar zei: “Ik kan je op deze wereld niet gelukkig maken, maar wel in de volgende.”  

Toen de burgemeester de bron liet sluiten werd aan de bisschop gevraagd of hij er voor wilde zorgen dat hij weer open ging zei deze:” Alleen de Keizer kan hem weer openen. Laat maar eens zien, wie sterker is.Maria of de Keizer.” Op nadrukkelijk aandringen van Keizerin Eugènie laat de keizer de bron korte tijd nadien weer heropenen.

Bernadette werd door Maria uitgekozen, omdat zoals Bernadette zelf zei: ”Als er een dommer meisje in Lourdes was, dan was niet ik maar zij het geworden.”

Nu is, door het aanhouden van haar verhaal van de boodschap die Maria haar gaf, Lourdes een bedevaartplaats geworden waar jaarlijks zo’n 7 tot 8 miljoen pelgrims komen om Maria te vragen en een voorspreekster te zijn bij haar Zoon Jezus Christus.

Lourdes is de hoofdstad geworden van de Mariaverering.

Hoofdstuk 5: De eerste reis

Het is mei 1987, als ik de eerste keer naar Lourdes ga. In maart zijn Trudie en ik twaalf en een half jaar getrouwd en bij die gelegenheid gaan we met de St. Bernadette organisatie naar Lourdes. De reis gaat van Hoensbroek en Maastricht, via Luxemburg naar Nevers. Hier komen we 's avonds in het klooster St. Gillard te Nevers aan. We gaan naar de kapel en zien voor het eerst een wonder van Lourdes. Hier in de kapel staan we voor de glazen schrijn, waarin het nog ongeschonden lichaam van St. Bernadette ligt opgebaard. We gaan vandaar de straat over naar een zaal die bestemd is voor pelgrims en krijgen daar een warme maaltijd. Deze is klaargemaakt en wordt geserveerd door de zusters. Omdat één van de zusters een blauwe armband draagt wordt zij door Trudie al gauw de karate-non genoemd en heeft tot taak om de stokbroden met rake karateslagen te stukkeren. Het is een eenvoudige maar heerlijke maaltijd.

Na de maaltijd brengt de bus ons de stad in naar een hotelletje tegenover het station, waar we de nacht door brengen. Het is een hotelletje, zoals ik me een typisch Frans hotelletje voorstelde. Een beetje rommelig en klein. De kamer was wel schoon. We hadden een douche op de kamer, deze was, zo leek het, in de kleerkast gemaakt. Als je 's morgens je benen naast je bed zette, moest je uitkijken, anders stond je met je voeten in het toilet. Maar ja, na het ontbijt gingen we weer naar het klooster en naar de kapel om daar de H. mis bij te wonen.

Na de mis gingen we weer de bus in en verder richting Lourdes. De middagpauze hadden we in Le Blanc, een klein provinciestadje in midden Frankrijk. Gezellig langs het water werd daar ons lunchpakket verorberd. Via Poitiers, Bordeaux en Pau arriveren we s’avonds in Lourdes. We installeren ons in ons hotel en na de maaltijd gaan we voor de eerste keer naar het Heiligdom om de grot te bezoeken. Als ik het Heiligdom oploop, heb ik het vreemde gevoel alsof ik hier vaker geweest ben en weet zo de weg naar de grot. Er was iemand bij die er vaker geweest was, maar als ik alleen geweest, was dan was ik ook zo naar de grot gelopen, dat weet ik zeker. De eerste keer bij de grot zal ik nooit vergeten. Het was heerlijk er te zijn, het is er nog steeds dat gevoel. De daarop volgende dagen worden drukke dagen, want je wilt alles zien en meemaken. De kerken op het heiligdom worden allen bezocht, evenals de molens, waar St. Bernadette heeft gewoond en ook het cachot. Het dorpje Bartres wordt ook bezocht met het huis van de voedster en het kerkje. Ook gaan we met de bus naar La Cavernie in de Pyreneeën, hoog in de bergen.

De laatste avond, als we afscheid gaan nemen van Maria bij de grot, denk ik terug aan wat we meegemaakt en gezien hebben, en gaan mijn gebeden van dank naar Haar toe en bid ik, denkend aan al die zieken en gehandicapten, die we zijn tegengekomen: ”Maria, kijk maar eerst naar al die anderen, die hier zijn en pas op het laatst naar mijn vragen. Leg die maar ergens onder in een la, als U dan met die anderen klaar bent, dan ben ik aan de beurt. Ook heb ik Haar beloofd om nog eens terug te komen. Ik wist niet, dat dit snel hierna zou zijn en ook niet dat het zo vaak zou worden. Het Lourdes-virus had me gepakt. De laatste dag gaan we moe maar voldaan weer naar huis. Dit was mijn eerste bezoek aan de grot, een ontmoeting, die ik nooit zal vergeten.

Eind 1987 wordt door de St. Bernadette-organisatie het koor opgericht en op 19 maart 1988, de feestdag van St. Jozef, word ik lid van het koor. Mijn liefde voor de zang, mijn ervaringen in Lourdes en mijn verering voor Maria waren de redenen voor mij, om toen ik gevraagd werd, meteen ja te zeggen. Een beslissing, die ik tot op de dag van vandaag niet betreurd heb. Ik zal, zolang ik zingen kan, mijn zang wijden aan onze Hemelse Moeder Maria en aan haar zoon Jezus Christus.

Hoofdstuk 6: Het Heiligdom

 

Webcams in Lourdes

De Grot
Het gekroonde Mariabeeld
Het dagelijkse Rozenkransgebed bij de Grot
De Mariale Lichtprocessie
Panoramische blik op de Grot

In dit hoofdstuk ga ik over het Heiligdom vertellen, wat we daar kunnen zien, doen en meemaken. Mijn gevoelens en emoties, die ik daar voel en voelde, zal ik in een volgend hoofdstuk proberen weer te geven.

We komen het Heiligdom vanuit ons hotel binnen via de St. Jozefpoort. Hier komen we al vele pelgrims tegen. Het is een drukte van in- en uitgaande mensen met en zonder rolstoel of één van die typische wagentjes, die ze hier in de hospitalité’s hebben. Het gaat bergaf tot we aan de rechterzijde het Forum zien. Hier kun je terecht voor allerlei inlichtingen. Ook de bibliotheek vind je hier.

We gaan hier rechtdoor en komen voor het beeld van de gekroonde Madonna. Een Mariabeeld met een gouden kroon. Dit is het verzamelpunt van vele groepen pelgrims. Het staat centraal op het Heiligdom. Een bijzonderheid aan dit beeld is, dat het oorspronkelijk bedoeld was om in de grot geplaatst te worden. Maar toen het af was en men het goed bekeek, bleek er iets fout te zijn gegaan . Maria heeft er namelijk een rozenkrans in de handen met zes tientjes. Deze fout kon niet meer goed gemaakt worden en dus kon het beeld zo niet in de grot komen. Er werd een nieuw beeld gemaakt voor in de grot en dit eerste werd van een kroon voorzien en kreeg een ereplaats midden op het Heiligdom. Op het hek, dat rond het beeld staat, worden dagelijks vele bloemen gestoken. Ook zie je er vele mensen voor knielen en bidden.

Als je je omdraait, zie je de drie kerken boven elkaar. Onder de Rozenkrans basiliek, daarboven de Crypte en daarboven weer de basiliek van de Onbevlekte Ontvangenis. Voor de Rozenkransbasiliek bevindt zich een groot plein dat omringd is door twee half ronde bogen, waarover een weg loopt om naar de bovenste kerken te komen. Beide kerken zal ik in een volgend hoofdstuk nader beschrijven. Wanneer we nu onder de rechter bogen doorlopen, zien we rechts van ons een rij kasten staan waarin kaarsen liggen. Hier kunnen we één of meer kaarsen kopen, die we bij de grot kunnen aansteken. Daarnaast vinden we de kraantjes, waar vele pelgrims water staan te tappen in grote en kleine kannen of in plastik Mariabeeldjes, waarin je water kunt doen. De mensen die we hier overal tegenkomen, zijn van verschillende nationaliteiten en komen van over de hele wereld.

Al gauw zien we een lange rij mensen die geduldig staan te wachten om door de grot te kunnen gaan om hun medailles, rozenkransen en andere dingen, die ze voor henzelf en anderen hebben meegenomen tegen de grot aan te strijken en zo de zegen vragen van Maria, dat ze degenem, waarvoor het voorwerp is, zal beschermen tegen alle kwaad.

We kunnen ons hier bij aansluiten, maar we gaan toch langs de rij en komen op het plein voor de grot. Hier staan we met duizenden anderen en kijken we naar het beeld van Maria, dat in de nis in de grot is geplaatst, daar waar ze aan St. Bernadette is verschenen. Ieder die hier staat, bidt op zijn eigen manier en in zijn eigen taal. Hardop of zacht; staand, zittend of knielend op de stenen vloer. Ieder heeft zo zijn eigen verdriet, leed, vragen, maar ook zijn dankgebed en een ieder wordt door Maria apart gehoord. Ze zal niemand daar vandaan laten gaan zonder dat hij troost heeft gevonden. Wie zijn hart openstelt aan Maria en de hemel, zal troost, kracht en soms ook genezing krijgen. Ik hoor wel eens van mensen als ik over Lourdes praat, dat ze er niet tegen kunnen; al dat verdriet en leed wat je daar ziet, maar het tegendeel is waar. Je ziet veel zieken, invaliden en gehandicapten, maar geen verdriet. Als er iemand in een rolstoel of op een bed voorbij gereden wordt en die lacht dan kun je niet zeggen daar gaat verdriet. Een verdrietig mens kan niet lachen. Die zieken, die je daar ziet, zijn allen blij dat ze zo dicht bij Maria mogen zijn. Na een gebed gaan we verder.

We passeren de bakken waar de kaarsen worden aangestoken. Dag en nacht branden hier kaarsen; het hele jaar door. De kaarsen waar geen plaats voor is, worden bewaard tot tijden dat er wel plaats is en worden dan door het personeel van het Heiligdom alsnog aan gestoken. Zo branden er het hele jaar door vele honderdduizenden kaarsen.
Voorbij het kaarsenmagazijn komen we bij de baden. Hier kun je ‘s morgens en ‘s middags terecht. Als de baden geopend zijn, zitten hier rijen mensen geduldig te wachten op hun beurt om ondergedompeld te worden in het ijskoude water uit de bron. Tijdens het wachten wordt er gebeden en gezongen. Er zijn 4 baden voor de mannen en 6 voor de vrouwen. In een volgend hoofdstuk zal ik nader ingaan op het gebeuren in en bij de baden. We lopen door en komen bij een brug over de Gave du Pau. Deze rivier van smeltwater, een echte bergstroom, hebben we al van af dat we onder bogen door gingen aan onze rechterhand. Je kunt er de vissen in het heldere water zien zwemmen.

Aan de overkant van de Gave hebben we aan onze linkerkant de kruisweg voor de zieken. De grote kruisweg die we buiten het Heiligdom vinden, is te steil voor rolstoelen en mensen die slecht ter been zijn. Daarom hebben ze voor deze mensen deze kleine- of ziekenkruisweg gemaakt. Even verder op het grote grasveld, waar grote evenementen kunnen worden gehouden, staat sinds enkele jaren een tent, waar overdag het Heilig sacrament staat uitgesteld. Hier zijn we niet de enigen, die even een gebed bij het H. Sacrament doen. Enkele tientallen mensen zitten hier in stil gebed in bezinning.

Langs de Gave gaat het verder tot bij de St Bernadette basiliek. Een moderne kerk, die pas enkele jaren geleden is ingewijd. In deze kerk is ook een kapel van de aanbidding gerealiseerd. Hier staat het H. Sacrament na de ziekenzegening de avond en de nacht uitgestald en kan men in stilte bidden. Bij het H. Sacrament zitten dag en nacht altijd minstens twee zusters te bidden. De aflossing van die zusters in een plechtig ritueel. De St. Bernadette basiliek biedt plaats aan vele duizenden pelgrims. Hier worden veel grote bijeenkomsten gehouden. De Franse bisschoppenconferentie wordt er ieder jaar gehouden.

Als we verder lopen, komen we langs het nieuwe accueil St Bernadette; een groot hospitaal, waar vele zieke pelgrims kunnen worden verpleegd. Er bevindt zich nog een hospitalité in Lourdes, het accueil St. Frai, maar dat ligt buiten het Heiligdom tussen de hotels in. Wanneer we rechtdoor lopen, gaan we in de stad uit, maar we gaan nu het bruggetje over terug de Gave over en komen uit op de esplanade achter de gekroonde Madonna. We lopen naar rechts langs het gebouw, wat vroeger het accueil Notre Dame was maar wat omgebouwd is tot kantoor en enkele kapellen. We passeren dan de kapel van de Heilige Jozef en komen bij de poort van de Heilige Michaël. Dit is de tweede grote toegangspoort tot het Heiligdom. Als we van hier uit over de esplanade kijken, zien we voor ons de Bretonse Kruisweg. Een groot kruisbeeld met vier figuren er rond omheen. We zien in de verte de gekroonde Madonna van achteren en de drie kerken boven elkaar.

Als we de esplanade weer terug lopen, hebben we rechts van ons de ondergrondse of wel de Pius X-basiliek. Deze grote ondergrondse kerk biedt plaats aan duizenden pelgrims. Hierin vind iedere middag de ziekenzegening plaats en iedere zondag en woensdagmorgen is er de Internationale mis. Een indrukwekkende gebeurtenis, die je niet mag missen. Halverwege de esplanade staat links langs de weg een beeldje van Bernadette als herderinnetje, omringd door talloze schaapjes. Nu zijn we weer aan gekomen bij de gekroonde Madonna. Als we weer linksaf gaan, komen we weer bij de St. Jozefpoort en zijn weer in de stad. We steken de weg over en gaan in een van de vele cafeetjes een kopje koffie drinken.

Hoofdstuk 7: Rondleiding door Lourdes

We beginnen onze tocht. Voor de St. Jozefpoort gaan we rechtsaf en zien aan de linkerkant de ondergrondse basiliek. Na enkele honderden meters krijgen we aan de rechterkant het St. Bernadette museum, waar we even naar binnen gaan. In de hal van dit museum staat een maquette van Lourdes anno 1858. Hierop kan je de route zien, die we zullen lopen. Verder in dit museum is een tentoonstelling van diverse foto’s en voorwerpen, die met het leven van Bernadette te maken hadden.

Als we weer buiten staan gaan we de weg verder tot we de brug bereiken, die bij de St. Michaelpoort over de Gave gaat. Aan de overzijde van de brug gaan we rechts een smal weggetje af en dan tussen de twee winkeltjes door. Er komt nu een smal straatje tussen hotels en de rots, waar het kasteel opstaat. Daar gaat het vrij stijl omhoog. Al snel komen we bij de molen van Boly; het geboortehuis van Bernadette. Deze molen hebben ze mooi gerestaureerd. De bossen, waarin deze molen lag, zijn vervangen door de achterkanten van de hotels en winkels, die langs de boulevard de la Grotte liggen. Zij ligt nu verstopt tussen de huizen. Evenals de molen van Lacadè, die iets verder op ligt. De lapaccabeek is verstopt, door hem te overkappen en er de huizen op te bouwen.

We gaan via een trapje een ontvangstzaaltje in. Hier krijgen we van een zuster een blaadje, waarop een eenvoudige uitleg staat van wat we hier binnen kunnen zien. In het zaaltje hangen portretten van de familie Soubirous en van enkele notabelen van Lourdes. We lezen van de liefde en het geluk, dat Bernadette hier in de molen van haar ouders ontving. Deze liefde is ze haar hele leven in Lourdes van haar ouders blijven ontvangen. We gaan door over een balkonnetje, vanwaar we de waterinloop van de molen kunnen zien en komen in de kamer op de eerste verdieping waar Bernadette geboren is. Er staat nog het bed, waarin ze is geboren en aan de muur hangt een kopie uit het doopregister. Enkele foto’s van Bernadette en haar ouders maken het geheel compleet. In de tweede kamer hangen tekeningen van Lourdes in het verleden. Via een smalle trap gaat we naar beneden en komen in het molengedeelte. Hier staat de maal-inrichting. Links is de keuken, waar het huiselijke leven van de Soubirous zich afspeelde.

Buiten gekomen, gaan we verder het steile straatje omhoog en komen we al snel aan het Maison de Patronel; de molen van lacadè. De molen, die vader Soubirous na de verschijningen kreeg om de kost te verdienen voor zijn gezin, dat inmiddels was uitgegroeid tot 7 personen. We gaan ook deze molen binnen en zien nog diverse gebruiksvoorwerpen, die door de familie Soubirous en in het bijzonder door Bernadette gemaakt en gebruikt zijn. Deze molen is nog steeds in het bezit van de familie. We verlaten deze molen via de souvenirwinkel van de Soubirous en lopen verder door de grote winkel- en hotelstraat.

Op de kruising gaan we linksaf en bereiken we na een paar honderd meter het ziekenhuis van Lourdes. Hier heeft Bernadette een poos gewoond, om de school te bezoeken, de menigte te ontlopen en om zo de familie te ontlasten; er was zo immers een mond minder te vullen. In de kapel van dit hospitaal heeft ze haar eerste H Communie gedaan. In het hospitaal leerde ze ook de zusters van Nevers en hun werk kennen. Na een tijd gaf ze te kennen dat ze ook zuster wilde worden bij deze orde. Hier deed ze gedurende 2 jaar haar postulaat, waarna ze naar Nevers vertrok. Vanuit de kapel van het ziekenhuis gaan we weer terug de stad in. Door de hoofdstraat lopend, krijgen we rechts de oude pastorie. Thans doet hij dienst als bibliotheek. Hier ging Bernadette steeds heen als ze van Maria iets aan priesters moest vertellen. Voorbij het postkantoor gaan we nu linksaf het kerkplein op. Hier bevind zich de parochiekerk van Lourdes . Deze kerk is begin 1900 gebouwd op de plaats waar eerst de oude kerk stond. Deze is door een brand verwoest. In de kerk vinden we nog het doopvont, waarin Bernadette gedoopt is. We gaan daarna terug naar de grote weg , steken het grote plein over en komen daar langs het oorlogsmonument. Vervolgens lopen we het straatje richting politiebureau in. Voor het politiebureau gaan we rechts de rue des Petits Fossès in. We komen bij het cachot. Via een ontvangsthal, waarin een vitrine enkele kledingstukken, kerkboekje en rozenkrans van Bernadette liggen uitgestald, komen we in het cachot; een sombere ruimte van 3,5 bij 3,5 meter. Hier leefde de familie met 7 personen. Er staan nu alleen enkele krukjes en er is even tijd voor bezinning.

Daarna gaan we naar rechts en volgen we de weg, zoals Bernadette dat ook deed als ze naar de grot ging. Nu gaat het langs de vele souvenirwinkels en hotels omlaag naar de Gave. Als we over de Pont Bernadette de Gave overgaan, volgen we naar rechts de weg langs het accueil St. Fray waar ik eerder over heb geschreven. Van hier kunnen we het rode, op een fietspad lijkende weggedeelte, wat hier in Lourdes bedoelt is als rolstoelpad, volgen en komen we weer bij de St. Jozefpoort uit.

Weer gaan we aan het einde van deze rondleiding een kopje koffie of iets sterkers drinken in een van de vele brasserieёn.

Hoofdstuk 8: De Bedevaart (dag 1)

Dit hoofdstuk wil ik een bedevaart vertellen met mijn gevoelens en belevenissen van al mijn bedevaarten, die ik tot nu toe heb gemaakt.

We beginnen thuis als we koffers inpakken. We nemen warme en zomerse kleren mee, want het weer kan in mei en september warm zijn, maar het kan ook behoorlijk fris worden. In de handbagage gaan wat boterhammen voor de eerste dag in de bus en voor in Nevers de pyjama, tandenborstel en het scheerapparaat. Als we dat in de handbagage hebben, hoeven we in Nevers niet al die koffers uit de bus te halen voor een nachtje.We laten ons door mijn dochter naar de markt in Hoensbroek brengen. Daar moeten we nog even wachten, want de bus is er nog niet. Er staan al andere medereizigers en het is al gezellig ondanks het vroege uur. De bus arriveert op tijd. Alles wordt ingeladen en we vertrekken volgens schema naar Maastricht. Hier stapt de rest van het gezelschap in en al gauw zijn we op weg naar Nevers. Eerst worden we door de chauffeur welkom geheten namens hem en de busmaatschappij en legt hij enkele dingen in de bus uit, zoals hoe de stoelen zijn te stellen en hoe het toilet werkt. Dan heet iemand van het bestuur van het koor ons allen welkom en bidden we het reis- en ochtendgebed. Nu kan iedereen nog even de ogen sluiten en wordt het rustig in de bus. Ik probeer ook nog even te slapen; meestal lukt dat wel.

Tegen 10 uur komt de eerste rust en is iedereen wakker. De rokers maken dat ze buiten komen om hun peukje op te steken. In de bus is het, omdat er ook mensen zijn die astma hebben, verboden te roken. Er zijn ook enkele mensen, die slecht ter been zijn en die worden uit de bus geholpen. Na drie kwartier gaan we verder richting Parijs. Het wordt gezellig in de bus. Ik zit zelf nu maar weinig op mijn plaats. Meestal ben ik in het middenpad te vinden.

Iedereen heeft een speciale gave van God gekregen. De een kan dit goed, de andere dat. Mijn gave, die ik gekregen heb, is dat ik anderen aan het lachen kan krijgen. Deze gave moet ik dan ook in de praktijk brengen als we op weg zijn naar onze Hemelse Moeder. Ook help ik mee met koffie en andere drankjes, die in de bus te krijgen zijn, rond te brengen. De koffie wordt dan met een grapje of een liedje geserveerd.

Dit lachen en zingen gaat door tot het moment dat de Rozenkrans wordt gebeden. Dan is er tijd voor gebed en bezinning. Er volgt weer een pauze. Na de pauze, we zijn Parijs al voorbij, wordt er een film opgezet. Het is zoals altijd op de eerste dag: ”The song of Bernadette,” een oude zwart-wit film, maar de film, die het meest de waarheid evenaart. Ik heb hem al vele malen gezien maar toch zijn er nog steeds momenten in de film, waar bij mij de tranen komen. Bijvoorbeeld als er een moeder een kind, dat op sterven ligt, in de bron doopt en zegt: “Neem het kind tot u of geef het ons terug.” Dan begint het kind te huilen, niet als een ziek kind, maar als een gezonde baby, die honger heeft. Later in de film zegt de priester, die het sacrament van de zieken aan het kind had gebracht, tegen de arts die het kind behandelde, op de vraag wat hij van die genezing vond: ”Toen ik kwam was het donker, nu is het licht.”

Tegen de avond komen we in Nevers aan. Het klooster van St. Gillard ligt in de avondzon op ons te wachten. We stappen uit de bus en gaan naar de ontvangstzaal. Hier krijgen we onze kamers toegewezen. Er zijn kamers met “zeezicht” (met zicht op de binnenplaats en het station) en kamers met “bergzicht” (met zicht op de stad en het station). De kamers zijn eenvoudig. Er staan twee eenpersoons bedden in, een tafeltje twee stoelen en een kast. In de kast liggen twee kussens voor als je niet op de rol, die op bed ligt, kunt slapen. Rechts naast de deur hangt een gordijn met daarachter een wasbak. We frissen ons wat op en gaan de gang weer in. Het is er een drukte van jewelste. Iedereen loopt over de gang. De een zoekt de w.c. en de ander wil weten waar dit of dat ligt. De douches zijn aan het einde van de gang links.

We gaan naar beneden de tuin in. Er zijn al verschillende mede pelgrims. Een paar zitten op de oude tuinstoelen wat te praten. Drie mannen zijn aan het jeu de boelen. We lopen de tuin in om het voetspoor van Bernadette te volgen via een voetpad langs diverse plekken in de tuin. We komen nog anderen tegen, die ook het pad zijn gaan volgen. We komen bij een Mariabeeld van Maria van de Rue du Bac in Parijs. Ook bezoeken we het St. Jozefkapelletje waar Bernadette 54 jaar begraven heeft gelegen. Er bevindt zich in het klooster ook nog een klein museum waar gebruiksvoorwerpen van Bernadette liggen. Als we terug bij het klooster zijn, is het tijd om te gaan eten. We gaan naar de eetzaal, waar we een eenvoudige, smakelijke warme maaltijd krijgen. De wijn, die erbij wordt geserveerd, smaakt ook. Na de maaltijd gaan we door de lange gangen van het klooster naar de kapel. Als we door de gangen lopen, denk ik terug aan de film in de bus en zie in mijn gedachten hoe Bernadette als postulante op haar knieën deze gangen heeft geschrobd. Toen waren het nog stenen vloeren, nu is er, omdat het makkelijker te onderhouden is, zeil overheen gelegd. Toen we in het begin hier kwamen, waren het nog die stenen vloeren. Nu kun je nog op een paar plaatsen de stenen zien.

We komen voor de deur van de kapel, een zware eikenhouten deur. Bernadette heeft eens tegen een postulante gezegd: "als je langs de kapel loopt en geen tijd hebt om er binnen te gaan, stuur dan je engelbewaarder naar binnen om Onze Lieve heer te groeten. Hij zal je snel weer inhalen". Wij hebben nu wel tijd en gaan de kapel binnen. Voor ons staat de wijwaterkom, waar we even onze hand in steken om daar mee een kruisteken te maken. Zacht lopen we naar voren tot aan het hoofdaltaar. Het is een eenvoudige kerk zonder veel tierelantijnen. Rechts van het altaar zien we de schrijn waarin Bernadette licht opgebaard. We knielen even voor de schrijn en doen ons gebed. Ik dank dan Bernadette, dat ik hier weer mag zijn en vraag haar om met ons mee te gaan naar Lourdes en een voorspreekster voor ons te zijn bij onze Moeder.
Na enige tijd in stilte en gebed gaan we weer naar buiten. In de onvangstzaal treffen we nog enkele medereizigers. We pakken een kopje chocolademelk uit de automaat (van de koffie uit die automaat daar moet je echt houden) en gaan bij de rest zitten. Aan een tafel zitten 4 man te kaarten en wij zitten nog wat na te praten over de dag van vandaag. Ik vertel het verhaal van onze dagtocht naar Scheveningen, die helemaal mislukte. Een lange mop met veel woordspelingen.

Tegen tien uur gaan we naar bed. We zijn moe van de reis en vanmorgen was het vroeg op, dus we hebben de slaap verdiend.

Hoofdstuk 8: De Bedevaart (dag 2)

De bedrijvigheid begint 's morgens al vroeg op de gang. Het toilet wordt druk bezocht. Als ze om 7 uur iedereen gaan wekken, zijn de meesten al op. Een paar staan al buiten om een sigaretje te roken. In het klooster mag niet gerookt worden i.v.m. brandgevaar. Tegen half 8 zit iedereen weer in de eetzaal voor het ontbijt. Stokbrood, boter en jam liggen klaar en er staan twee kannen, een met koffie en een met warme melk. De koffie komt in de soepkommen, die we naast het bord hebben staan. We moeten opschieten met het ontbijt want om 8 uur begint de mis in de kapel. We zijn op tijd. Het koor gaat bij elkaar zitten, want we zingen tijdens de communie een lied en na de mis het Ave Maria. De mis is in het Frans, maar we kunnen hem toch goed volgen. De lezingen worden door een van ons in het Nederlands gelezen, zodat we die wel kunnen verstaan. Tijdens de communie zingen we het lied “Jezus mijn leven.” Na de zegen en het “Ave Maria” gaan we nog even naar Bernadette en dan moet ik gauw naar de eetzaal om de lunchpakketten te halen. We leggen de lunchpakketten in de bus op de stoelen waar iemand zit, zodat iedereen als die instapt, zijn lunchpakket voor vandaag vindt. We vertrekken richting Lourdes. Het gaat over provinciale wegen in de richting van Chateaurouche. De landelijke omgeving zorgt voor een afwisselend uitzicht. Al gauw willen er een paar koffie, dus ik moet weer gaan bedienen. Buiten probeert de zon door de wolken te dringen wat aardig lukt. Het belooft goed weer te worden. We gaan de autobaan op richting Toulouse en de rustpauze zal niet lang meer op zich laten wachten. Tijdens de stop gaan we wat lopen. Ik duw de rolstoel van een vrouw met M.S. Er is hier een tuin, waar je een soort mobiele telefoon kunt krijgen, die, als je het nummer dat bij een plant of boom staat indrukt, vertelt wat voor een boom of plant het is. Erg educatief.

We gaan verder door centraal Frankrijk. Als we de Rozenkrans bidden rijden we net door een fantastisch natuurgebied met veel bossen, bergen en grote rotsformaties. Ik zit te genieten van zoveel schoonheid, dat me gegeven wordt tijdens het Rozenkransgebed. Altijd al heb ik de ongerepte natuur mooi gevonden. Vroeger ben ik vaak de Alpen in getrokken om er van de ongerepte natuur van het hooggebergte te genieten. Daar boven in de bergen voel je je dichter bij God. Het leven heb ik wel eens vergeleken met een berg beklimmen.

De beklimming begint gemakkelijk onder in het dorp. Het leven begint als baby zonder zorgen bij je ouders. Daarna gaat het bergop door de weiden en bossen. In het leven is dit de schooltijd en pubertijd. De berg wordt steiler en het pad smaller. Je moet gaan werken en zorgen voor je gezin. Het laatste steile stuk moet je beklimmen als de kinderen groter worden en meer werk en zorgen meebrengen. Het laatste stuk over de topgraad gaat weer wat makkelijker, je oude dag. Als dan de top bereikt wordt, is dat de beloning voor de inspanningen van de klim, een prachtig uitzicht, en in je leven krijg je je beloning in de Hemel.

We bereiken Toulouse, nog ongeveer 150 km; snel volgt Tarbres. We verlaten de autobaan en passeren het vliegveld. Weldra zijn we aan de eerste huizen van Lourdes. Het is alsof we weer thuis komen. Behendig stuurt de chauffeur de bus door de smalle straatjes en komen we bij ons hotel aan. We worden meteen aan de tafel verwacht. Als we de eetzaal binnen komen, worden we meteen door het personeel verwelkomd. Bekende gezichten, want ze hebben al jaren hetzelfde personeel. Natuurlijk moet ik onze vaste serveersters, Alfonsien en Margot, hartelijk begroeten. We krijgen een heerlijke maaltijd. Na de maaltijd wordt door de sterke mannen en de laatste tijd ook sterke vrouwen, de koffers uit de bus gehaald en in de hal gezet. De kamers worden verdeeld en er is een oude dame met een zware koffer; deze breng ik voor haar naar haar kamer. We maken de afspraak dat als we naar huis gaan, ik de koffer weer kom ophalen. Dan zoek ik mijn eigen kamer en ga me wat opfrissen. De koffer pak ik niet helemaal uit. Alleen wat moet worden opgehangen wordt er uit gehaald en in de kast gehangen. Rond 11 uur ga ik naar beneden om naar de Grot te gaan. We moeten Maria nog even dag zeggen en laten weten dat we er weer zijn. In de hal zitten nog sommigen van onze groep en samen gaan we naar de Grot.

Bij de St. Jozefpoort is het druk van mensen, die terug komen en naar hun hotel gaan. Bij de Grot is het nog druk, maar dat zal niet lang meer duren, dan zijn we maar met een paar over. Het is iedere keer weer een blij moment, als je zo langs de kraantjes loopt en dan om de hoek het beeld van Maria in de Grot weer voor je ziet. Ik kniel neer en bid even. We gaan nu de Grot in aan de linkerkant. Als we achter in de Grot komen, zien we dat achter in de hoek de stenen vloer voorzien is van een gat. Op dat gat ligt een glasplaat. Een lamp onder die plaat laat ons duidelijk de bron zien. Dit is de plaats, waar Bernadette op aanwijzing van Maria in de grond groef en deze bron is ontsprongen. De bron, die nu nog steeds stroomt en ons allen van het miraculeuze water geeft. Tussen de bron en het hekje, vanwaar achter we de bron kunnen zien, hebben velen bloemen gelegd. Deze bloemen zijn aan Maria uit dankbaarheid geschonken. We gaan verder door de Grot en lopen langs kastjes waarin je brieven of briefjes met intenties kunt doen. Voor deze intenties worden 's middags, tijdens de Rozenkrans en s’avonds om 11 uur tijdens de mis aan de Grot, gebeden. Je kunt ook intenties sturen voor deze diensten via email: intentions@lourdes-france.com
Als ik verder loop kom ik onder de nis, waarin Maria is verschenen en blijf ik even onder het beeld staan, praat even tegen Maria terwijl ik de Grot vast houd. De rots is hier glad gewreven door de miljoenen handen, die hierover gewreven hebben. Maar ook door hun medailles en andere dingen, die ze mee naar huis willen nemen en even aan de Grot houden en Maria vragen om ze te zegenen. Nu ik hier sta zeg ik: “Maria hier ben ik weer, vandaag vraag ik nog niets, dat komt morgen. Nu wil ik alleen even bij u zijn en genieten van een vredige rust.” Die rust komt zeker als ik dan voor de Grot plaats neem op een van de banken. Het duurt niet lang en ik vergeet de tijd. Tijd is er niet bij Maria. Alleen rust en vrede.
Na een poosje te hebben gezeten ga ik weer terug naar het hotel en zeg: "Maria, tot morgen".

Hoofdstuk 8: De Bedevaart (dag 3)

Het is 7 uur; tijd om op te staan. We willen vandaag veel gaan doen. Na een bad gaan we naar het restaurant voor het ontbijt. We zijn een van de eersten en Alfonsien komt ons al snel koffie inschenken. Ze lacht steeds en maakt altijd een kort praatje; zij in het Frans en wij in het Nederlands en nog iets wat op Frans lijkt. Het gekke is, dat we elkaar toch verstaan. De rest druppelt binnen en al gauw klinkt er een geroezemoes van jewelste. We overleggen met enkele pelgrims, die voor het eerst hier zijn, wat we kunnen gaan doen. Vanmiddag zal ik, voor degenen die willen, een rondleiding door Lourdes geven. Om half twee in de hal van het hotel, waarna de tour zal beginnen Wie mee wil, tref ik dan in de hal.

Nu gaan we eerst naar de Ondergrondse Basiliek. Daar is de Internationale Mis. Een mis, zó indrukwekkend, dat moet je meegemaakt hebben.
We moeten ons haasten, als we nog met het internationale koor mee willen doen. Als we in de kerk komen, willen ze net met de repetities beginnen; dus kunnen we nog aansluiten. We zitten met 6 man van ons koor, met nog een paar andere Nederlanders en Vlamingen bij elkaar. De Nederlandstalige coupletten van de liederen, die gezongen worden, hebben we gauw onder de knie. Nu is het wachten op het begin van de mis.

Dit geeft me de tijd om de kerk te beschrijven. Het gebouw is een groot ovaal. De grootste breedte is ongeveer 80 meter en de grootste lengte 210 meter. Het is gebouwd uit betonnen spanten. Vanuit de korte kanten komen banen naar beneden, waarlangs je binnen komt. Langs de wanden zijn glas-in-lood afbeeldingen van de Kruisweg, verschijningen en andere gebeurtenissen uit het leven van Bernadette. In het midden een bordes, waar het altaar op staat. Een tafel van ongeveer 4 bij 4 meter. Op de hoeken van het bordes staat een kandelaar. Aan één zijde een zetel voor de bisschop en er tegenover het orgel en de plaats voor het koor. Door de hele kerk staan grote schermen om ook achter in de kerk de mis goed te kunnen volgen. Rond het altaar is en open ruimte voor rolstoelen en bedden. Daarachter zijn de kerkbanken voor de gezonde pelgrims.

De kerk stroomt vol; zo’n 20.000 mensen gaan er in. Dan begint de mis. De bisschop en priesters komen binnen, ook worden vaandels naar binnen gedragen. De gebeden en lezingen worden eerst in het Latijn en vervolgens in het Frans, Engels, Spaans, Italiaans, Nederlands en Duits gebeden. Ook de gezangen worden telkens in de diverse talen gezongen. Wij zingen het Nederlandse gedeelte. Het is een grootse, indrukwekkende belevenis om met zoveel verschillende mensen uit zoveel verschillende landen samen de eucharistie te vieren. Er staat tussen ons zangers in ook een koor uit Zwitserland. Ze zingen tot afsluiting van de mis het Alleluja van Händel. In één woord, prachtig. Dit maakt de mis af. Het wordt me even te veel. Een traan rolt over mijn wang.

Nu wordt het even druk, omdat iedereen tegelijk naar buiten wil gaan. Dan maar even wachten. Als we eindelijk buiten staan, lacht de zon ons toe. We lopen richting de Grot. Daar is het heel druk; duizenden mensen zijn er. Er komt een rij rolstoelen, bedden en van die typische karretjes van Lourdes. Zij mogen voor in de Grot. Een Italiaan roept iets en de mensen wijken uit elkaar, zodat de stoet door kan. We besluiten aan de overzijde van de Gave te gaan zitten. Het is er niet zo druk en je kunt dan toch tegenover de Grot zittten. Hier kan ik even met mijn gedachten dwalen naar van alles en nog wat. Rustig even met Maria praten. Dan slaat de klok van de bovenste basiliek 12 uur. We gaan terug naar het hotel voor een kop koffie en soep op de kamer. We hebben zo’n waterkokertje en een paar pakjes cup-a-Soup; dat smaakt wel. Om half 2 ben ik onder in de hal. Zeven mensen gaan mee voor de rondleiding. Deze gaat, zoals ik die in hoofdstuk 7 heb beschreven. Het wordt een gezellige tour. In het begin heb ik gezegd, dat hij voor goed gelovige mensen is. Dit is omdat ik soms wat er bij fantaseer, zomaar voor de grap. Een voorbeeld is: in de molen van Lacadè, het ouderhuis, hangt een stamboom van de familie Soubirous. Ik vertel dan, dat een broer van Bernadette naar Japan is verhuisd en daar een autofabriek is begonnen, de Subaru. Soms is er dan één die het gelooft. Als je het maar met overtuiging brengt. Onderweg wordt dan nog een rustpauze ingelast en in een brasserie een kop koffie of iets dergelijks genuttigd.

Tegen het eind van de middag zijn we terug. Ik ga gauw nog wat inkopen doen, want ik heb enkele thuisblijvers beloofd wat water en medailles mee te nemen. Met een kannetje voor het water en de gekochte medailles ben ik snel weer terug in het hotel. In de hal drink ik nog een glas cognac en praat ik nog wat met de anderen over wat we vandaag beleefd hebben. Om 7 uur gaan we weer eten. Er is soep, tosti, bonen met varkensrollade en een puddinkje. Heerlijk, en alles geserveerd door mijn vriendin Alfonsien. Na het eten gaan we ons klaar maken voor de Lichtprocessie. Mij valt de eer het vaandel van de Sterre der Zee te dragen. Voorop gaat het vaandel van St. Michaël. Deze vaandels zijn van de vereniging en gaan op alle reizen mee. Tussen de vaandels in lopen de pelgrims, die met ons mee zijn. Eerst St. Michael, dan de rolstoelen, vervolgens de pelgrims en tot slot de Sterre der Zee. Een paar van ons gaan op het bordes voor de Rozenkransbasiliek zingen en voorbidden in het Nederlands. Dit heb ik ook vaker gedaan. Een mooie ervaring, die nooit vergeten wordt. Je staat daar voor zo’n 40.000 mensen en moet dan in het Nederlands voorbidden. Het is een keer gebeurd, dat voor dat de processie begon, de dirigent naar ons toe kwam en vroeg of wij van het St. Bernadette koor tussen twee tientjes door een Marialiedje konden zingen. We besloten het "Avé Maria" te zingen. We stonden daar met z’n achten. Gelukkig was de stemverdeling goed; 3 sopranen, 2 tenoren, 1 alt en 2 bassen. Het moest a-capella en voor zoveel mensen. Dat was even slikken. De hemel stond ons bij en dankzij hen was het heel goed gegaan. Dit was iets dat ik niet had willen missen.

De Lichtprocessie begint voor de Grot. Het is kwart voor negen en de het begint met het Onze Vader in het Latijn. We overwegen het eerste glorievolle geheim en bidden het eerste tientje. Dit wordt voorgebeden door een Franse priester en de laatste vijf door een Spaanse dame. Na het Gloria Patri wordt in tien verschillende talen het lied “Te Lourdes op de bergen”gezongen. Bij het refrein “avé avé Maria”gaan alle kaarsen omhoog. Dan volgt het tweede glorievolle geheim en weer een tientje van de Rozenkrans. Daarna wordt weer een lied gezongen in de verschillende talen. Zo wordt de gehele Rozenkrans gebeden. Het is erg emotioneel, als zo die duizenden mensen samen de Rozenkrans bidden, ieder in hun eigen taal. Ze verstaan elkaar niet, maar toch wordt eendrachtig gebeden tot onze Moeder Maria. Een grote bede naar de Hemel. Dit wordt zeker gehoord en verhoord. Als we op het plein voor de Rozenkrans Basiliek aankomen, worden de rolstoelen naar voren gedirigeerd en moeten de vaandels voor op het bordes plaats nemen. De rest moet gewoon achter aan sluiten. Vanaf het bordes zie je die hele mensenmassa op je af komen. Alle met een kaars in de hand, de Rozenkrans biddend. De processie eindigt met de zegen gegeven door alle aanwezige priesters vanaf het bordes.

We proberen vanaf het bordes een weg te banen door de menigte om de vaandels heelhuids in het hotel te krijgen. Het lukt aardig en we bereiken vrij snel het hotel. De vaandels worden opgeborgen en we verwennen ons met een cognacje. Tegen elf uur gaan we een jas of trui halen en gaan we weer naar de Grot. Het is 's nachts rustig aan de Grot en daarom gaan we nu. Bij de St. Jozefpoort komen we weer veel mensen tegen, die terug naar het hotel gaan. We kopen kaarsen en steken die aan bij de Grot. Het is intussen rustig bij de Grot en we kunnen op ons gemak er door gaan. Na een gebed ga ik geknield voor de Grot op de grond zitten en ga in gedachten met Maria praten. Ik voel, dat ze het hoort en dat ze naar me luistert. Na enige tijd ga ik op de bank voor de Grot zitten en laat ik mijn gedachten weer de vrije loop. Maria weet nu voor wie ik iets kom vragen en ik weet dat ze ons geeft wat we nodig hebben. Even kan ik mijn tranen niet meer bedwingen, als ik aan een dierbare denk, die mij om gebed heeft gevraagd. Zij heeft het zwaar en de kracht van de Hemel hard nodig. Ondanks dat er zo’n twintig mensen om heen lopen en bidden, heb ik het gevoel dat ik alleen met Maria ben. Ik voel dat ze naast me zit op de bank en Haar arm om me heen slaat. Ze zegt als een moeder tegen mij dat ik tegen Haar kan uithuilen en al mijn problemen aan Haar voeten mag leggen. Zij hoort mij aan en zal me niet ongetroost van Haar heen laten gaan. Er zal altijd wel een oplossing voor die problemen komen. Dit zeg ik niet zomaar, dit weet ik uit ervaring.

Opeens krijg ik een koude rilling over me heen, die komt van de Gave die achter me stroomt. Maria laat me op die manier weten dat het tijd wordt om naar bed te gaan. Het is ondertussen één uur in de nacht. Het is half twee als ik in het hotel op mijn kamer kom en moe, maar voldaan in slaap val.

Hoofdstuk 8: De Bedevaart (dag 4)

Om 7 uur sta ik naast mijn bed en neem ik een bad. Ik moet me inhouden om zo vroeg niet te zingen, zoals ik normaal altijd doe. Je moet ook een beetje aan de andere gasten in het hotel denken. Na het bad gaan we naar het ontbijt. Mijn vriendin heeft vandaag verlof, dus worden we bediend door een collega van haar. Hoe hij heet weet ik niet, maar we noemen hem Sjuuf. Hij reageert op die naam, dus zal hij zo wel heten. Als iedereen beneden is, gaan we een plan maken voor vandaag. Bij ons aan de tafel zitten een echtpaar en nog twee dames, die de eerste keer in Lourdes zijn. Vanmorgen zingen we de Nederlandse mis in de St. Jozefkapel. Omdat we vanmiddag de Kruisweg te gaan bidden, besluiten we om na de mis met onze tafelgenoten de drie kerken boven elkaar te bezoeken. We lopen naar de kapel en om klokslag 10 uur begint de mis. De Belgische priester doet het op een plechtige wijze en heeft een mooie preek over Bernadette en hoe zij dacht over het geloof in Jezus Christus, haar grote liefde. Samen met het gezang van ons wordt het een mooie mis.

Na de mis lopen we naar de RozenkransBasiliek. We gaan de brede trappen op, die leiden naar het bordes voor de kerk. We gaan de grote eikenhouten deur door en komen in de kerk. Het gebouw bestaat uit een groot middenschip met twee ronde zijbeuken en eenzelfde ronding achter het altaar. We beginnen onze rondgang in de linker zijbeuk. Het heeft net zoals de twee andere, vijf altaren. Elk beeld één van de geheimen van de Rozenkrans uit door middel van een groot mozaïek op de achterwand. Het is alleen jammer, dat het vocht de mozaïeken zo heeft aangetast. Maar er zijn restauratiewerkzaamheden in en om de kerk bezig en die zijn al in een vergevorderd stadium. De muren, gevels en dak zijn al klaar. Op het dak staat nu een grote gouden kroon. Nu de mozaïeken nog. We keren weer terug naar de geheimen.

De blijde geheimen:

De engel Gabriel brengt de blijde boodschap aan Maria.
Maria bezoekt haar nicht Elizabeth
Jezus wordt geboren in de stal van Bethlehem.
De opdracht in de tempel
Jezus wordt terug gevonden in de tempel.

We hebben de blijde geheimen nu verlaten en gaan naar de droevige geheimen. Deze bevinden zich achter het altaar.

De droevige geheimen:

De doodstrijd van Jezus.
Jezus wordt gegeseld.
Jezus wordt met doornen gekroond
Jezus draagt het kruis naar Golgota.
Jezus sterft aan het kruis.

We lopen naar de rechter kant van de kerk en komen bij de glorievolle geheimen.

De glorievolle geheimen:

Jezus verrijst uit het graf.
Jezus stijgt op naar Hemel.
De heilige geest daalt neer over Maria en de apostelen
Maria wordt in de hemel opgenomen:
Maria wordt in de Hemel gekroond.

Paus Johannes Paulus II heeft 16 oktober 2002 in de Apostolische Brief Rosarium Virginis Mariae vijf geheimen toegevoegd aan het traditionele rozenkransgebed.

Geheimen van het licht:

De doop van Jezus in de Jordaan.
De openbaring van Jezus op de bruiloft van Kana.
Jezus’ aankondiging van het Rijk Gods.
De gedaanteverandering van Jezus op de berg Tabor.
Jezus stelt de eucharistie in tijdens het Laatste Avondmaal.

Nu zijn we weer bij de deur aangekomen.We lopen nog even naar het midden van de kerk en kijken omhoog naar de grote koepel, waarop groot schilderwerk bewonderd kan worden. Er staat een afbeelding van God de Vader, die zijn handen uitstrekt naar ons.
Als we buiten staan, komt de warmte ons tegemoet. Het was lekker koel in de kerk. We lopen het plein op om aan de rechterkant de weg over de bogen omhoog te lopen naar de crypte. Boven op de Rozenkrans Basiliek gekomen, hebben we een prachtig uitzicht over de esplanade. We zien recht voor ons de gekroonde Maria, met schuin er achter het kasteel van Lourdes en de stad. Ook kun je de prachtige gouden kroon op het dak van de Rozenkrans Basiliek zien. Van hieruit heb je 's avonds ook een prachtig overzicht van de lichtprossesie, zeggen ze, want ik heb dat nog niet gezien. De lichtprossesie heb ik altijd meegelopen of vanaf het bordes meegezongen.
We draaien ons om, lopen langs de torentjes en komen op het plein voor de Basiliek van de Onbevlekte Ontvangenis. Van hieruit kunnen we naar beneden kijken richting de Grot. We kijken neer op de duizenden mensen die zich verdringen, de kraantjes en geduldig staan te wachten om door de Grot te kunnen gaan.

Onder de trappen om in de Basiliek te komen is een ingang. We gaan er naar binnen, lopen door een lange gang en komen in de kleine knusse crypte. Hier is gelegenheid tot stil gebed. Er zitten enkele mensen stil te bidden en we gaan ook stil in een bank zitten. Vroeger stond hier de hele dag het Allerheiligste uitgestald. Om meer mensen de gelegenheid te bieden het Allerheiligste te aanbidden, heeft men het nu in de tent van de aanbidding uitgestald. Deze tent staat op het grasveld aan de overkant van de Gave. Na even in gebed te zijn geweest, verlaten we de crypte via de zijuitgang. We staan op straat en lopen een stukje bergaf tot we aan de voorzijde van de kerk weer uitkomen. We gaan nu wel de trappen op en komen in de bovenste Basiliek. Een grote kerk met een lang middenschip. Aan de zijkanten zijn verschillende zijaltaren gewijd aan verschillende Heiligen. De hoge ramen zijn glas-in-lood en stellen onder andere de verschijningen voor. Er hangen vele vaandels, die in het verleden geschonken zijn door verschillende organisaties. Als we pijn aan onze nek hebben van het omhoog kijken gaan we weer naar buiten. 

We komen weer buiten, gaan de poort uit en de weg af naar ons hotel. We hebben niet veel tijd meer tot de Kruiswegen, blijven daarom maar in de hal zitten en trakteren ons zelf op een lekkere cognac. We praten en lachen nog wat en de tijd vliegt voorbij. Voor we het weten is het tijd voor de Kruisweg. Als we allen bij elkaar zijn, wordt gekeken wie de grote en wie de kleine Kruisweg lopen. Mensen, die slecht ter been zijn, gaan de kleine of zieke Kruisweg lopen en de rest de grote. We gaan op weg en na 5 minuten zijn we aan het begin van de Kruisweg. Het is een steil pad omhoog. Ze zeggen niet voor niets dat het voor mensen die slecht ter been zijn, of aan het hart hebben, niet te doen is. Mijn zoon is ook al een paar keer meegeweest naar Lourdes en een keer heeft hij een vrouw, die ook in het koor is en M.S. heeft, deze Kruisweg met de rolstoel omhoog geduwd. Dat was voor haar een hele belevenis, die ze nooit dacht mee te maken. Zij is gelukkig niet zwaar, maar toch was het voor mijn zoon een hele klus.

We naderen de eerste statie. Bij deze statie kan men geknield, biddend een trap op. Dit is geheel uit eigen wil. Het hoeft niet. Ik heb het nooit gedaan, want ik zie de meerwaarde van mijn gebed niet. Een ieder, die dat wel wil, moet het doen. Verder naar de tweede statie. Bij deze statie zien we de honderd man staan, die de opdracht heeft toe te zien dat de kruisiging verloopt, zoals het volgens de Romeinse wetten moest. We zullen hem bij de meeste staties terugzien. Ook zien we bij verdere staties een farizeeër met gebalde vuist staan. Hij heeft een haat tegen Jezus, dat is in zijn gezicht goed te zien. De staties worden door prachtige, meer dan levensgrote figuren uitgebeeld. Sommige statie zijn geschonken door een of andere bedevaart organisatie. Het staat bij de betreffende statie op een bord vermeld.

Bij de twaalfde statie, als Jezus sterft aan het kruis, houden we een minuut stilte voor we verder gaan. Na de dertiende statie gaat het steil bergaf. We moeten voorzichtig lopen om niet te vallen. Deze weg naar beneden gaat steiler dan de weg naar boven. Na een paar honderd meter komen we aan de veertiende statie; een spelonk in de berg. Hier zien we hoe Jezus in het graf wordt gelegd. De spelonk dient als opening van het graf. Onder de figuren die Jezus in het graf leggen zien we opeens de farizeeër. Is hij bekeerd?
We dalen nog iets verder af om de Kruisweg af te sluiten bij de vijftiende statie. We zien hier een molensteen die weggerold is. Het is PASEN. Jezus, is verrezen uit zijn graf en heeft de dood overwonnen. De voorbidder dankt een ieder voor het meedoen en het bidden van deze Kruisweg en we gaan verder terug naar Lourdes. We lopen langs de gebouwen, waarin de onderhoudsdienst van het Heiligdom is gehuisvest is. Als we de bovenste Basiliek zien hebben we rechts van ons het priesterhuis. Hier wonen de priesters, die werkzaam zijn op het Heiligdom. Voor we de kerk bereiken, is er links een poortje, dat naar het slingerweggetje leidt en ons tussen de Grot en de baden in brengt. We gaan met een drietal mannen daar naar beneden, omdat we nog in het bad willen. Bij het bad aangekomen, blijkt het niet erg druk te zijn bij de mannen en we sluiten achter aan. Het is bij de mannen nooit zo druk als bij de vrouwen. Die moeten vaak al voordat de baden open zijn er gaan zitten, anders komen ze helemaal niet aan de beurt.

Er komen nog een paar mannen na ons. Ik kan niet precies bepalen uit welk land ze zijn, volgens mij uit een Oostblokland; Polen of zo. We schuiven langzaam naar de deur en het duurt niet lang of we worden in het Italiaans uitgenodigd om naar binnen te gaan. Binnen wordt op zijn Frans gezegd, dat we op een bankje moeten gaan zitten. Voor ons verbergen gordijnen de baden; vier in totaal. Zo af en toe komt er iemand achter zo’n gordijn vandaan, waarna één van ons gewenkt wordt om te komen. Als ik aan de beurt ben en achter een gordijn kom, staan er zes stoelen. Bij enkele stoel staat iemand zich uit of aan te kleden. Vrijwilligers zijn bij een stoel een geestelijk gehandicapte aan het uitkleden. Dit gaat zo discreet, geen van ons kan die jongen naakt zien. Ik word verzocht me bij een vrije stoel uit te kleden tot op mijn onderbroek. Achter een volgend gordijn hoor ik hoe iemand wordt ondergedompeld. Als deze man achter het gordijn vandaan komt, gaan ze met die gehandicapte naar het bad. De vrijwilligers bidden hardop in het Italiaans. Na deze jongen is nog een oude man en dan wordt ik gewenkt. Ik kom bij het bad, waar een man mij een doek voor houdt en zegt dat ik mijn onderbroek uit moet doen en aan de haak, die daar is, ophangen. Hij draait de natte koude doek om mijn middel en vraagt in het Frans uit welk land ik kom. Ik zeg "Nederland", waarop hij dit aan de beide mannen, die naast het stenen bad staan, doorgeeft. Ik moet via de trappen het bad in lopen. Het water is koud als ik er tot aan mijn knieën in sta. De man links van mij vraagt of ik Duits kan, want hij spreekt geen Nederlands. Ik bevestig zijn vraag en hij zegt mij dat ik tot achter in het bad moet lopen. Samen bidden wij een Wees Gegroet, dan wachten beide mannen rustig tot ik mijn intenties heb gedaan en te kennen geef, dat ik klaar ben. Beiden pakken mij vast aan de schouders en de knieën. De man rechts zegt in slecht Duits, dat ik moet gaan zitten. Ze laten mij zakken tot ik geheel onder water ben en halen me dan weer omhoog. Als ik sta, neemt een man het Mariabeeldje en bied het me aan om te kussen. We bidden: “Onbevlekte Ontvangenis, bid voor ons”, “heilige Bernadette, bid voor ons”. Als ik dan klaar ben, draai ik me om en loop het bad uit. De man, die mij de doek omdeed staat klaar om hem weer af te doen. Ik doe mijn onderbroek weer aan en ga naar mijn kleren terug. Als ik daar aankom, ben ik al droog en kan me zo aankleden zonder me af te drogen. Eén van de mannen, die de gehandicapte uit en aan kleedden, is nu een bejaarde man aan het helpen z'n schoenveters vast te maken. Als ik klaar ben, dank ik de vrijwilligers en ga naar buiten. Eén van ons is er al; de andere komt snel na mij.

Het grote wonder van de baden is, dat hier in het water al menigeen genezen is van ziekte en kwaal. Het is gewoon water, zoals het overal in de buurt uit bronnen komt. Geen extra mineraalwater met extra vitamine. Er zijn vaker monsters van het water genomen na een morgen dat vele zieke en gezonde mensen er in gedompeld zijn. Iedereen gaat in hetzelfde water. Het bleek vol virussen en andere ziektekiemen te zitten en ondanks dat is er nog nooit iemand ziek van geworden, WEL GEZOND. Samen gaan we nog even voor de Grot zitten.

Het is bijna vier uur. We moeten nu snel zijn, want de ziekenzegening begint zo. Als we in de Ondergrondse Basiliek komen, zit deze al behoorlijk vol. We vinden een staanplaats bij één van de spanten, niet ver van het koor. De Sacramentsprocessie begint bij de tent van de aanbidding en is in de kerk te volgen via grote beeldschermen. De processie trekt langs de Bernadette Basiliek, dan over de Gave en langs de Gekroonde Maria de Basiliek in. Het koor zingt diverse liederen en er wordt gebeden. We hadden met het koor mee willen zingen maar we waren te laat, omdat we voor de Grot zijn blijven zitten. Jammer maar dat moest ook. Als de processie de kerk in komt en het Allerheiligste wordt binnen gedragen, gaat iedereen, die kan, op de knieën. Er wordt nog gebeden en gezongen in verschillende talen. Dan komt het hoogtepunt. De bisschop, die de processie leidt, neemt het Allerheiligste, gaat de rijen zieke en gezonde mensen langs en zegent allen. Bij mij komen weer eens de tranen en ik weet eigenlijk niet waarom. Toch laat ik ze de vrije loop. Ik heb, voor dat ik in het bad ging én voor de ziekenzegening, gebeden voor een zieke kennis van mij die niet mee kon komen. Misschien heeft het hier iets mee te doen. Later, als ik thuis ben, hoor ik dat het die persoon beduidend beter gaat. Misschien moest ik daarvoor wel zo geëmotioneerd reageren. Wie weet? Als de zegening afgelopen is, wordt het Allerheiligste weer op het altaar gezet en het Tantum Ergo gezongen. Dan gaat de hele processie weer naar de sacristie en is deze viering afgelopen. We dringen door de massa heen naar buiten. We hebben pech, het is begonnen te regenen. Gelukkig maar een buitje, maar net genoeg om goed nat te worden. We lopen zo hard het kan terug naar het hotel. In de souvenirwinkels gaan paraplu’s en regencapes als zoete broodjes over de toonbank en de brasserieёn zitten ook tjokvol. In het hotel zitten een paar van onze groep in hal iets te drinken. We gaan er bij zitten en er wordt gezellig over van alles en nog wat gepraat. Eén van ons drieën was voor de eerste keer in het bad en wil over zijn ervaring praten. Ik ga met hem even iets apart zitten en hoor zijn geëmotioneerd verhaal aan. Hij moest het even kwijt, die ervaring van het bad. Ik heb zo ook emotionele ervaringen in het bad, het is vaak in woorden niet uit te drukken.

Als het zeven uur is, gaan we weer eten. Vandaag hebben we soep en een of ander puddinkje. Ik ben niet zo goed in de Franse keuken, vis, boontjes en als nagerecht een soes met chocoladesaus erover en een ijsvulling. Het was heerlijk. Na de maaltijd gaan we ons omkleden en klaar maken voor de Lichtprocessie. We moeten in uniform, want na de processie hebben we een gezellige avond met muziek en zang, verzorgd door het St. Bernadette koor. Het is weer druk bij de processie. We lopen wat achteraan; zo zijn we snel terug om te zingen. In de processie loopt achter ons een Franse groep. Als we het Avé Maria gaan zingen, klinkt er achter mij opeens een heel hard en vals gezang. Het spijt me, dat het in de processie gebeurde, maar het sloeg me toch op mijn lachspieren en niet alleen op die van mij. Het is ongelofelijk, dat iemand zo vals kan zingen. Maar dat oude vrouwtje deed het met zoveel vuur, dat Maria het valse niet gehoord heeft, denk ik. Na de processie zijn we het vaandel terug naar het hotel gaan brengen en de partituur en mijn accordeon op te halen. Daarna haasten we ons naar de brasserie, waar we gaan zingen. Als we er aan komen, staat alles al gereed om te beginnen. Iedereen bestelt nog gauw iets te drinken en dan beginnen we. Het eerste liedje, dat we zingen, is het “lied der Freiheit”, een Duitse tekst op het Slavenkoor van Nabuco. Als het lied uit is, blijken er veel Duitsers binnen zijn. Er komt een Duitse pastoor naar de dirigent, stelt zich voor en vraagt of de groep, waarmee hij is, ook iets mag zingen. Waarom niet? Het is de bedoeling, dat het gezellig wordt. Nu zingen wij en de Duitsers om de beurt. Dan, als we “wie sjoen os Limburg is“ hebben gezongen, komt een hoofd om de hoek van iemand uit de Achterhoek en vraagt of wij Nederlanders zijn. Nu willen zij mee doen en al gauw wordt het een internationaal koor. De gezellige sfeer die er nu heerst wordt op straat gehoord en velen die langs lopen, komen even binnen en zingen al dan niet mee. Gezelligheid kent geen tijd en zo wordt het al gauw 1 uur. Tijd om te stoppen. Er worden adressen uitgewisseld en we spreken af, dat er contact wordt gehouden en de groep uit de Achterhoek wil weten, wanneer we volgend jaar weer komen. Dan konden zij het zo regelen dat ze dan ook weer hier waren.

De eersten gaan al naar huis. Omdat ik zou helpen de instrumenten op te ruimen, blijf ik nog even. Dan staan er een paar Ierse meisjes van zo’n jaar of 20 achter ons en vragen of zij ook even een liedje mogen zingen. Het blijft niet bij één liedje. Het personeel is al aan het opruimen, de stoelen gaan op de tafels en er wordt om ons heen gedweild. En wij maar zingen. Ik vraag aan een Ierse of ze goed Frans kan, dan kan zij aan de cafébaas zeggen dat hij gerust naar huis kan gaan, want wij maken het licht wel uit. Om half 3 vragen ze toch of we wilen stoppen. Dit doen we, we ruimen gauw op en gaan naar het hotel terug. Het is drie uur, als ik het bed in kruip en begin aan een korte slaap.

Hoofdstuk 8: De Bedevaart (dag 5)

Als om zeven uur de wekker afloopt, krijg ik met moeite mijn ogen open. Ik blijf nog wat liggen, maar sta dan toch maar op. Vandaag gaan we naar de Pyreneeën. Om negen uur vertrekt de bus, dan moeten we ook al ontbeten hebben. Gauw in bad en dan naar beneden. Dit keer ben ik één van de laatsten. Het broodje jam is snel naar binnen gewerkt. De croissant ruil ik met iemand voor een broodje. De koffie wordt weer met liefde door Alfonsien ingeschonken. Half negen komt de bus. Langzaam stappen we allemaal in. De trip begint met een slalom om de mensen, die op straat lopen. De bus draait door de smalle straten de stad uit. We rijden al snel door het mooie dal van de GAvé richting Lutz. Als bergbeklimmer in ruste geniet ik weer van deze prachtige bergwereld. We zien op een gegeven moment een bord dat naar rechts een beroemde pyreneeëncol uit de Tour de France, de Oubisce. Het dal wordt nu erg smal. Het is niet breder dan de weg en de rivier, die hier woest kolkend zich een weg baant tussen de rotsen. We nadere Lutz, een klein toeristenstadje. Ook bekend door de Tour de France. Ieder jaar komt hij door deze stad. Hier naar links ga je de Tourmallè op, ook een hoge tourcol.

Even buiten de stad vindt in een weiland een wedstrijd voor herdershonden plaats. De honden moeten een paar schapen volgens een bepaald parcours naar een hok brengen. Het is mooi te zien hoe slim die honden zijn. Dan bereiken we de Pont Napoleon. Een hele hoge oude brug over de Gave. Er zijn hier nogal wat toeristen die levensmoe zijn, want ze steken net voor de bus de weg over, zonder uit te kijken. We zien aan alle kanten de ruigheid van deze granietbergen. Dit is goed te zien aan de talrijke watervallen en watervalletjes. Ook de begroeiing is kariger dan in een kalkgebergte. Het dal wordt weer smaller. Als je aan de ene kant kijkt dan zie je de rotswand vlak naast de bus en aan de andere kant kijk je in een diep gat met onderin een kolkende bergstroom. Als je hoogtevrees hebt, kun je het beste je ogen sluiten, dat doet de chauffeur ook altijd als hij hier rijdt. Een geruststellende gedacht is dat, of niet? We bereiken het einddoel. We kunnen rechts van ons op een bergpunt het beeld van Onze Lieve Vrouw in de sneeuw zien staan. Een groot wit Mariabeeld met het kindje Jezus op de schouder kijkt het dal in. De eerste huizen van La Gavernie komen in zicht. De weg kronkelt tussen de kleine huisjes door. We komen bij ons stamcafeetje. De kroegbaas staat ons al op te wachten. Hij lacht weer achter zijn snor en zoekt weer een slachtoffer voor een van zijn grappen. Die vindt hij ook snel.

Na een kop koffie gaan we wandelen. Je kunt hier vele kanten op. De eerste mogelijkheid is richting Circe de Garvernie. Hier ontspringt de Gave. De weg gaat eerst tussen wat souvenirwinkeltjes en cafeetjes door het dorp uit. Buiten het dorp volgen we de Gave over een vrij breed pad. Bij een alleenstaand cafeetje gaan we een bruggetje over. De weg gaat nu bergop en slingert door een bos. Boven is een picknickplaats met een bord, waar we van alles over de flora en fauna in het Park National de Pyreneeën kunnen lezen. Na een korte rust gaat het bergaf tot in een breed dal met sappige almweiden. Er staan hier wat koeien, die ons van een afstand nakijken. Af en toe komt ons een rij paarden en ezels voorbij. Je kunt deze huren in het dorp. Zij lopen dan met je het dal in en weer terug. Het zijn slecht verzorgde dieren en ik wil het ze niet aandoen om er dan ook nog op te gaan zitten. Deze weg is te voet ook mooier. Je kunt dan stoppen, waar je zelf wil en van het uitzicht genieten. Die paarden lopen gewoon door. Na de almweiden gaat het weer een bos in en steil bergop. Het pad kronkelt nog iets en dan staan we opeens we op het ijs. Het is een apart gevoel om midden in de zomer op ijs en sneeuw te staan. Als bergbeklimmer heb ik dat wel vaker meegemaakt, maar de gemiddelde toerist heeft dat nog niet ervaren. We staan nu vlak bij de waterval, die de bron van de Gave is. We gaan weer terug langs dezelfde weg.

De tweede mogelijkheid is door het bos naar het beeld van O.L.V in de sneeuw. Hiervoor gaan we een stukje terug het dorp in en gaan dan links af in de richting van het kapelletje. Zo’n honderd meter voorbij het kapelletje gaan we rechts een smal paadje in. Het gaat glibberig en steil naar boven. Je moet je aan de struiken en bomen vastpakken om niet te vallen. Dan gaat het vlak en komen we in een wei vol met bloemen. Na een poosje komen we aan een grote weg, die naar een hoger gelegen skigebied gaat. Er is geen verkeer op de weg; waarschijnlijk is er nog niet te skiën. We lopen de weg zo’n honderd meter omhoog en gaan weer een paadje in dat iets omlaag gaat en dan steken we via een bruggetje een wild stromend beekje over. We komen weer op een almweide, waar een paadje ons verder omhoog leidt. Het laatste stuk gaat over rotsen, nog even en we staan voor het grote witte beeld. Als we voor het beeld staan dat op een hoge sokkel is geplaatst, zien we eerst in de sokkel een altaar, waarop bloemen zijn geplaatst. Ook brand er een noveenkaars. Als we nu naar boven kijken, zien we een groot Mariabeeld. Zij draagt het kindje Jezus op Haar schouder. Maria kijkt het kind aan en het kind lacht naar ons. Het is alsof, waar je ook staat, het kind je altijd aan blijft kijken. Vanaf deze plaats kun je ver het dal van de Gave in kijken. Omdat we met enkele leden van het koor zijn, zingen we het Avé Maria. Daarna zing ik alleen het Avé Maria van Gounod. Volgens mij is dat het mooiste Avé Maria dat er is. Ik kan in dit Avé Maria alle emoties leggen, die ik heb.

Een andere weg naar dit beeld is over de eerder genoemde weg. Dit heb ik al een keer met dat vrouwtje in de rolstoel gedaan. We zijn toen na de koffie terug naar het dorp gelopen en net buiten het dorp naar links gegaan. Het ging vrij goed bergop. Opeens kwam er achter een struik een ezeltje gelopen. We hadden suikerklontjes bij ons en besloten dit ezeltje een te geven. Voor we het suikerklontje gepakt hadden, kwam achter iedere struik minstens één ezel uit. In een mum van tijd waren we omringd met ezels. Ze wilden ook niet weggaan en bleven ons volgen. Ik heb toen een tandje hoger moeten schakelen om ze kwijt te raken. Toen we aankwamen, waar het eerder genoemde paadje aan de weg komt, kwamen de mensen, die over dat paadje gekomen waren, ook net aan. Samen zijn we verder gegaan. Toen we bij het zijpaadje kwamen, hebben we de rolstoel in de struiken geparkeerd en heeft het vrouwtje tussen twee sterke mannen in gelopen tot op de almweide. Daar hebben we gepicknickt en zijn we het laatste stukje zonder vrouwtje verder gegaan. Zij bleef met nog een vrouw achter op de alm, net Heidi.

Nadat we bij Maria en haar Kind geweest waren, hebben we haar weer geholpen naar haar rolstoel. Nu begon voor mij het zwaarste stuk; de afdaling. Nu moet je de rolstoel constant afremmen. Ik was het meeste bang voor de handvatten. Het kon toch gebeuren, dat ik boven met de twee handvatten in de handen sta en de rolstoel met inzittende en al, als een razende de berg aan het afrijden is? Het zal maar gebeuren. Maar alles gaat gelukkig goed. We naderen de plek van de ezels weer. Deze zijn gelukkig niet meer hier, dus kunnen we gewoon doorgaan. De ezels hebben hier wel van alles op de weg achtergelaten en zodoende krijgen we hier een Pyreneese ezelkeutelslalom. We zijn al gauw weer in ons cafeetje en doen ons te goed aan omelet jambon met friet. Heerlijk. Na een biertje gaan we nog even in het kapelletje kijken. Dit kapelletje stamt uit de tijd dat hier alleen nog een klooster was. Hier was de laatste overnachting van de pelgrims die naar Santiago de Compostela gingen.

In de Middeleeuwen was het in de bergen niet ongevaarlijk. Er loerden vaak struikrovers op de pelgrims. Dus werd hier overnacht om dan de volgende dag in een grotere groep de bergen over te trekken naar Spanje. Het kerkje is gewijd aan Johannes de Doper. Boven het altaar staat een beeld van hem. Links in een nis staat een Mariabeeld, waarbij vele kaarsjes branden. Links aan de muur op een sokkel staat een eeuwenoud beeld van St. Jacobus van Santiago de Compostella. Ik ga het oksaal op om te zien of er een orgel staat, zodat ik iets kan zingen. Valse hoop. Er staan alleen wat banken. Ik wacht even tot er wat mensen uit de kerk zijn, want ik wil niet dat men denkt, dat ik wil laten zien hoe goed ik zingen kan. Er zitten nu nog maar drie vrouwen in de kerk. Het vrouwtje met M.S. en nog twee anderen van onze groep. Ik zoek de begintoon van het Panis Angelicus, maar ben de tekst vergeten. Dan maar het Avé Maria. Toen dat uit was, kwam een iemand van het koor de kerk weer in en zei, dat ik nu het Panis Angelicus moest zingen. Dit verzoek heb ik ingewilligd en nu kende ik wel de tekst weer. Ik denk dat ik het op deze volgorde moest zingen en daarom had Maria er voor gezorgd, dat ik eerst de tekst niet meer wist. Dit zingen was voor mij erg emotioneel en ik ben, na het zingen van de laatste toon, in tranen uitgebarsten. Na me even te laten gaan, ben ik weer naar beneden gegaan. Tot mijn verbazing zat vrouwtje M.S. op haar knieën in de banken. Ze zei dat ze tijdens het Avé Maria voor de eerste keer sinds lang, zonder pijn en moeite is kunnen gaan knielen. Ze kon ook weer zonder moeite opstaan. De ander twee dames waren ook geroerd en hadden tranen in hun ogen. Als je lied zo’n reacties oproept, dan hoef je geen verdere beloning. Dit is met geen geld te betalen, zo goed doet je dat. Ik heb die twee dames nog gevraagd of ze aan het huilen waren, omdat het zo slecht was, maar dit was volgens hen niet het geval.

Terug in het cafeetje zit de rest al klaar om nog iets te zingen. Er zijn nog enkele Engelsen met geestelijk gehandicapten en het duurde niet lang of we zitten door elkaar en zingen samen met deze kinderen onze en hun liedjes. Het is jammer als we de bus in moeten om op tijd terug in Lourdes te zijn. De weg terug gaat door dezelfde mooie bergwereld als de heenweg. Velen zijn moe van de berglucht en enkelen hebben de ogen dicht. Ruim voor het eten zijn we terug. We gaan nog met een paar man de kruiken van onze pelgrims vullen bij de kraantjes. We laden twee rolstoelen vol kruiken en rijden zo naar het Heiligdom. Met 4 man worden nu alle kruiken gevuld. Drie vullen er en één zorgt, dat er bij iedereen een lege klaar staat en dat de volle weer in de rolstoel komten. Na zo’n kwartiertje zijn ze allemaal vol en duwen we de stoelen terug naar het hotel.

Ik ga nu de koffer inpakken en fris me iets op voor het eten. Een half uurtje op bed liggen doet ook wonderen. We zijn op tijd in de eetzaal en doen ons te goed aan soep, een soort gebak met pudding, rollade met een Italiaanse pasta en een puddinkje. Als het nagerecht aan de beurt is, ga ik met een schaaltje langs de tafels om een fooi voor het bedienend personeel op te halen. Dan vraag ik aan Alfonsien en een collega van haar, of ze even willen komen. Na een “prachtige” toespraak in Frans, Nederlands en Limburgs overhandig ik de schaal met geld en dan begint het leukste gedeelte, het zoenen van de serveersters. Ik geloof niet, dat ze mij woordelijk hebben verstaan, dat heeft waarschijnlijk niemand zelfs ik niet, maar ze begrijpen wel wat ik bedoel. Ze bedanken ons in het Frans en komen dan gauw nog met het toetje.

Na het eten staan we weer klaar voor de Lichtprossesie. Het is vandaag drukker dan gisteren. In het begin is het iets dringen. Er loopt op een gegeven moment een hele groep Italianen tussen onze groep in. Van mij mag dat wel als ze ook onder bescherming van de Sterre der Zee willen lopen. Na zo’n honderd meter zijn ze er toch weer tussen uit. Een paar Vlamingen vragen of ze er bij mogen lopen, waarom niet, als Italianen dat mogen, dan mogen Belgen dat zeker. Een groot gedeelte van dat Zwitserse koor staat op het bordes en zingt aan het einde van de processie nog een mooi Marialied. Na de zegen gaan we naar het hotel om de laatste voorbereidingen te treffen voor ons vertrek morgen vroeg.

Nog een keer gaan we naar de Grot om afscheid te nemen van Maria en om haar te bedanken voor het geduld dat ze met ons heeft gehad. We gaan met een groepje van acht man. Ik duw de rolstoel van vrouwtje met M.S. Bij de Grot aangekomen is het er nog erg druk. Omdat ik de rolstoel duw, mogen wij twee voorgaan. De anderen moeten achter in de rij aansluiten. We gaan voor de laatste keer deze reis door de Grot. We kunnen niet te lang in de Grot blijven, want er staan nog velen te wachten. Als we weer voor de Grot komen, gaan we iets naar achteren staan. Terwijl we op de anderen wachten, vraag ik aan Onze Lieve Vrouw, of ze het mogelijk wil maken, dat ik de volgende reis weer mee mag komen naar Haar. Dan vraagt het vrouwtje met M.S.: “Zullen we zachtjes het Avé Maria zingen?” Daar ben ik altijd wel voor te vinden en we zingen zacht. Zij heeft een mooie en heldere sopraanstem en zingt de eerste stem. Ik als bas zing de tweede. Nadat we uitgezongen zijn, zingen we samen nog het Avé Maria van Gounod, ook zachtjes en gevoelig, uit heel ons hart, van ons twee, voor Maria alleen.

Dan wachten we nog even tot de rest door de Grot is gegaan. Enthousiast komen ze naar ons toe en zeggen, dat het zingen heel mooi klonk in de Grot. Er waren mensen, die omgekeken hadden om te zien, wie dat zong, maar ons hebben ze waarschijnlijk niet gezien. Dat hoeft ook niet, het was eigenlijk niet de bedoeling dat ze het hoorden. Waarschijnlijk heeft Maria toch gedacht, dat ze het moesten horen en er dan ook voor gezorgd. Ook zouden er mensen bij gestaan hebben, waarbij de tranen kwamen van ontroering. Dit te horen, doet weer beter dan wat dan ook. Een grotere beloning konden we niet krijgen. We gaan snel terug naar het hotel want we moeten morgen vroeg op. Ik ga eerst nog even in bad en dan duik ik het bed in.

Hoofdstuk 8: De Bedevaart (dag 6)

Het is 5 uur, als de wekker afloopt. Ik sta vlug op, kleed me aan en pak de laatste dingen nog in de koffer. De koffer wordt naar beneden gebracht in de hal. De koffers voor Maastricht en die voor Hoensbroek worden apart gezet, zodat ze ook apart in de bus gezet kunnen worden. Snel ga ik terug om de koffer van die oude dame te halen, zoals ik beloofd had, toen we aangekomen zijn. Ze staat al op mij te wachten. Als de koffers allemaal in de hal zijn, komt de bus er ook al aan. De meesten van ons zitten nu aan het ontbijt en wij laden de bus in. Als de eerste mannen klaar zijn met eten, komen ze ons aflossen, zodat ik ook nog snel iets kan eten. De aflossing zorgt, dat overal een lunchpakket in de bus ligt. Klok slag 6 uur zit iedereen in de bus en begint de thuisreis. Het is in het begin erg rustig in de bus. De meesten van ons doen de ogen nog even dicht. Ik hoop alleen dat de chauffeur de ogen open houdt, dat zou een beetje slordig uit zien als hij nu ook ging slapen.

Voorbij Toulouse begint het langzaam levendig te worden in de bus. Er wordt al eens in het lunchpakket gekeken, wat schaft de pot. Hier en daar wordt wat geruild. De een lust dit niet de andere vind dat lekkerder. Al gauw zit ik met vijf stukken vlees en drie zakjes chips. Mijn zak is nu boordevol. Niet erg want het duurt nog lang voor we thuis zijn. De eerste koffie wordt gevraagd, dus ik mag weer opstaan en wat gaan lopen. Hier en daar ligt nog iemand te slapen, maar als er van achterin de bus begonnen wordt met zingen, zijn die ook zo weer onder de mensen. Het regent een beetje, maar dat kan de pret niet drukken. We zitten toch droog in de bus. De hele week hebben we goed weer gehad, lekker warm met veel zon en af en toe een buitje. Als de bus een parkeerplaats oprijdt, houdt het op met regenen; gelukkig. De rokers zijn, zoals altijd, het eerste uit de bus. Er was één, die z’n sigaret al vooruit gedraaid had. In de bus zat er al één met zijn neus in de shagbuil om de reuk op te snuiven. Nu kunnen ze weer met volle teugen genieten van die stinkstokken. Ik zelf ben niet-roker. Vroeger heb ik pijp gerookt en tussen door een sigaartje, maar in 1990 heb ik me, toen de vasten begon, voorgenomen om in de vasten niet te roken. Als kind mochten we niet snoepen in de vasten en nu wilde ik dat nog eens doen, maar dan met niet-roken. Het is me gelukt. In de eerste week kreeg ik van iemand een lekkere sigaar, die is voor Pasen om als eerste weer te roken. Toen het Pasen werd en ik die sigaar opstak, smaakte me het roken helemaal niet meer. Ik was er vanaf. De pijp, de tabak en de sigaren die ik nog had, heb ik weggegooid en ben er nooit meer aan begonnen.

Op de parkeerplaats hebben ze een tuin aangelegd met planten en bomen uit de streek. Er staat overal een bordje bij met de Latijnse en de Franse benaming. Dat is wel leuk, maar ik kan heel slecht Frans en helemaal geen Latijn. Aan die bordjes hebben we niet veel. We hebben er toen zelf maar wat namen bij verzonnen. Terug naar de bus. De pauze is om en we moeten weer instappen. Het begint weer te regenen. De reis verloopt verder voorspoedig en we komen in de buurt van Orleans. De lunchpakketten zijn al bijna op, alleen ik heb nog veel. Geen tijd om te eten en veel gekregen van anderen. Even moet ik toch gaan zitten, want er wordt een film opgezet. Hij gaat over het leven van de dorpspastoor Dr. Kneip. Interessant, maar ik heb hem niet helemaal gezien, want ik heb gegeten en daarna even ge-ungert, zoals “een dutje doen” bij ons in Limburg heet. Als de film afgelopen is, breng ik nog wat koffie en frisdranken rond. Er wordt met de pet rondgegaan voor de chauffeur. Hij heeft goed werk afgeleverd. Na nog een pauze rijden we Orleans binnen. Bij het station staat de nieuwe chauffeur te wachten. Hij is met de trein naar hier gekomen om onze chauffeur af te lossen. Zijn rijtijd zit er op. Dit is voor de veiligheid en het rijtijdenbesluit. Hij mag niet langer rijden volgens de wet.

Al gauw zijn we weer op de autoroute richting Parijs. Het verkeer wordt drukker naarmate we Parijs naderen. Voor de gezelligheid haal ik mijn accordeon maar weer eens te voorschijn en wordt er uit volle borst door de rest meegezongen. Het klinkt niet altijd mooi maar wel hard en het is gezellig, dat is de hoofdzaak. Ik wijs er wel op, dat niet iedereen naar dezelfde kant op sjunkelt, daar kan de bus niet tegen. De kans bestaat dan, dat als we samen naar de zelfde kant bewegen, de bus omvalt. Om Parijs staan we in de file. Het is net spitsuur, dus je weet het wel. Maar het mag de pret niet drukken. Even ga ik naast een pelgrim zitten. Hij vertelt over de reis, wat hem aangegrepen heeft en hoe hij het allemaal ervaren heeft. Dit hoort ook bij zo’n reis; even momenten voor serieuze gesprekken. Hij was meegegaan, omdat zijn vrouw dat wilde. Dus niet erg enthousiast, maar nu hij naar huis gaat, heeft het Lourdes-gevoel zich van hem meester gemaakt. Hij gaat beslist nog eens met ons mee. Als we de Rozenkrans nog eens bidden is de file zowat opgelost en het gaat weer even sneller. Maar niet te vroeg juichen, er kan nog van alles gebeuren. Ja hoor, weer stilstaan. Gelukkig niet lang. Als we vliegveld Charles de Gaulle passeren, hebben we het ergste gehad. Als we onder de startbanen doorrijden, zien we nog net een Concorde opstijgen. De laatste pauze wordt gehouden. Bij een wegrestaurant gaan we nog iets warms eten. Friet met worst en een flesje sinas. Er komen hier nog een paar bussen met jeugd aan. Het wordt een drukte van jewelste. Gezellig, die jongeren, zij komen van een schoolreisje of zo. Waarschijnlijk van Euro Disney. Ze lopen met Micky Mouse en Donald Ducken rond. Er heerst een vrolijke sfeer. We zoeken de bus weer op en het gaat richting Frans/Belgische grens. Nog zo’n drie uur bussen en we zijn thuis.

Ik ben weer eens met mijn lieve vrouw naar Onze Lieve vrouw geweest. Er wordt nog een film gestart. “Babe”, een leuke film over een herders-varkentje. Na een klein uurtje dutten wordt weer om koffie gevraagd. Dus mag ik weer lopen. Als we Luik bereiken, spreekt de dirigente nog een woord van dank aan een ieder en na nog een paar stichtende woorden spreekt ze de hoop uit dat we allemaal elkaar nog eens terugzien op de terugkomavond, die over enkele weken wordt gehouden en op een van de volgende bedevaarten die we maken.
Ook de chauffeur bedankt zich voor de gezellige reis en de gevulde plastiekzak, die hij van ons gekregen heeft. Het is bijna elf uur 's avonds als we bij Eisden Nederland weer binnen rijden. Nog even en we zijn thuis. Maastricht wordt binnen gereden en op de stopplaats staan al enkele mensen ons op te wachten. De mensen van Maastricht nemen afscheid van ons en stappen uit. De koffers en waterkannen gaan er ook uit en worden in de klaarstaande auto’s geladen. Nog even zwaaien en verder gaat het naar Hoensbroek. De overblijvers beginnen al de spullen bij elkaar te zoeken en er wordt nog wat gelachen. In Hoensbroek op de markt worden we ook al opgewacht. Mijn dochter staat er met mijn auto. Zij heeft geluk gehad, dat ik de hele week weg ben geweest. Nu heeft zij met mijn auto kunnen rijden. Nu is hij weer van mij. We laden de koffers in en nemen afscheid van de rest. Nog even nakijken of iedereen naar huis kan en niemand alleen achterblijft midden in de nacht op een lege markt. Nu snel naar huis en een lekkere kop koffie, want die Franse koffie is nou niet de lekkerste. Want anders had ik misschien niet altijd cognac gedronken, of toch wel. Cognac is sowieso lekkerder dan welke koffie ook.

Thuis wordt de koffer nog uitgepakt, want mijn vrouw wil de wasmachine nog aan zetten. We hebben nu nog nachtstroom. Ja, we moeten sparen, voor de volgende reis. Er wordt nog lang nagepraat met de kinderen. Zij willen vertellen, wat er hier is gebeurd en niet is gebeurd tijdens onze afwezigheid en wij willen natuurlijk van onze reis vertellen. Het is dan ook tegen drieën als we moe maar voldaan naar bed gaan. Nog even lig ik wakker en laat de hele reis nog eens de revue passeren.
Als we morgen weer op staan, dan gaat het gewone leven weer door en kunnen we ons weer verheugen op de volgende reis.

Hoofdstuk 9: Meer Lourdeservaringen (deel 1)

In hoofdstuk 8 heb ik een Lourdesreis beschreven, die gebeurd had kunnen zijn. Het is samengesteld uit ervaringen, die ik in de loop der jaren heb meegemaakt. Er zijn echter nog meer ervaringen en belevenissen geweest, die ik niet in dat verhaal heb kunnen inpassen. Daarom dit hoofdstuk. Hierin zal ik andere verhalen vertellen van belevenissen in Lourdes.

Wat een blijdschap en geluk een bezoek aan Lourdes kan brengen, is te zien aan de zieken, die er rondgereden worden in die typische wagentjes van Lourdes. Deze wagentjes zien er uit als van die Chinese karretjes. Twee grote wielen met daartussen een grote stoel. Aan de voorkant zit een klein wiel, dat bestuurbaar is, een trekstang met handvat zorgt er voor dat een brancardier of verpleegster hem kan trekken. Een kap achterop zorgt dat de zieke droog zit als het regent of in de schaduw als de zon schijnt. Als je vaak zo’n oud vrouwtje in dat wagentje ziet zitten, dan lijkt het alsof ze denken dat ze de koningin zijn. Ze stralen gewoon met heel hun gezicht. Een gezicht, dat ik ook nooit zal vergeten, is dat van een ouder echtpaar, dat op het plein voor de Rozenkrans Basiliek tegenkwam. Aan de klederdracht, die ze aan hadden, kwamen ze uit Oostenrijk. Zij in een dirndel en hij met een lederhose, zo’n nikkebokker, en een Tiroler hoedje met pluim. Zij steunde aan de ene kant op haar paraplu en aan de ander kant op hem. Hij steunde aan de ene kant op zijn wandelstok en aan de andere kant op haar. Samen hadden ze elkaar echt nodig. Ze hadden een brede glimlach op hun sterk gerimpelde gezicht. Krom gebogen door het zware werk, dat ze hun leven lang hadden gedaan, schuifelden ze, vastberaden vandaag nog de Grot te bereiken, over het plein.

Vaak hoor je als excuus om niet naar Lourdes te gaan, dat men niet tegen al dat leed kan, dat men daar ziet. Mijns inziens zie je er bijna geen leed. Je ziet er vele zieken, gehandicapte en invalide mensen, maar leed heb ik bijna nooit gezien. Als je iemand op een bed ziet liggen, die bijna niets anders kan dan met de ogen knipperen en je ziet een hoop geluk in die knipperende ogen, dan zie ik geen leed. Ik kan me slechts een keer herinneren dat ik leed heb meegemaakt. Dat ogenblik heeft ook veel indruk op mij gemaakt, omdat ik me dat nog herinner als de dag van gisteren. Ik zat op een nacht in de Grot te bidden toen er en jonge man door de Grot kwam en voor de nis met het beeld neer knielde en toen hardop begon te vragen. Het was een Duitser, dus ik kon zijn vragen aan Maria goed verstaan. Hij smeekte Onze Lieve Vrouw of hij alstublieft nog een jaartje mocht blijven leven, want hij moest nog iets afmaken. Ik weet niet wat die ongeveer 25 jarige man mankeerde, maar hij had de hele reis naar Maria gemaakt om nog te smeken om nog een jaar te mogen leven. Ik heb toen meteen ook voor hem gebeden tot Maria om hem te helpen. Mijn vragen waren ineens niet meer erg genoeg. Deze man had het zoveel moeilijker dan ik. Dan merk je weer dat je vaak klaagt met gezonde benen.

De vrijwilligers en brancardiers, die je overal ziet met de zieken sjouwen, hebben van mij ook alle respect. Zij zijn van de vroege morgen tot de late avond met deze mensen bezig. Zelden hebben ze even tijd voor zichzelf. Dan zie je ze even gauw naar de Grot komen of zelf even in het bad gaan. Dan hebben ze voorrang en dat mogen ze van mij wel hebben. De vrijwilligers bij de baden. Als je ziet hoe liefdevol zij daar de pelgrim, die daar in het bad komt, benaderen. De zieken worden door hen uit en aan gekleed en ouderen worden geholpen, als dat nodig is. Geduldig staan ze bij de baden te wachten totdat jij klaar bent. Ik ben eens heel geëmotioneerd geweest, nadat ik was ondergedompeld. Geduldig wachtten ze tot ik uitgehuild was, om dan samen met mij te bidden. Nadat ik me had aangekleed, werd nog eens geïnformeerd hoe het nu ging. Alle respect en lof voor deze mensen. In mijn gebed is dan ook iedere keer een plaatsje voor deze helden.

Ook vraagt men mij wel eens of ik wonderen gezien heb. Mijn antwoord is: ”JA.”
Nee, niet zo’n wonder, dat er een lamme opstaat uit zijn rolstoel of dat er een blinde ineens kan zien. Er gebeuren dagelijks van die hele kleine stille wonderen. Gebedsverhoringen gebeuren er bij de vleet. Als er bijvoorbeeld iemand komt, die een heel actief leven heeft gehad en door een ongeluk van de ene dag op de andere in een rolstoel is gekomen, kan die het er geestelijk heel moeilijk mee hebben en niet kunnen accepteren, dat hun leven zich nu in een rolstoel afspeelt. Als hij of zij nu naar Lourdes komt en dit dan wel kan accepteren, dat het nu niet meer zo gaat als voor het ongeluk en er dan vrede mee heeft, dat hij of zij verder moet leven in die rolstoel, is dat ook een genezing.

Het wonder dat ik heb mogen ervaren aan den lijve is het volgende verhaal:

Toen ik zo’n veertig jaar was, had ik een vreselijke eetlust. De hele dag en nacht kon ik blijven eten. Ik stopte 's avonds met eten, omdat de pan leeg was, niet omdat ik vol was. Als de vrouw eens wat meer maakte, omdat ze daags daarna weinig tijd had om te koken en we dit dan nog eens konden opwarmen, dan had ze pech want de pan was leeg. Eens op het werk was iemand jarig en had deze op rijstevla met slagroom getrakteerd. Aan het einde van de dienst waren er nog twee stukken over, wie zin had kon ze opeten anders moesten ze worden weggegooid. Ondanks dat het heel goed vult heb ik ze opgegeten, ben naar huis gereden en heb daar de pan leeggegeten. Na een etentje van een collega, die met pensioen ging, het was echt goed en veel eten, kwam ik thuis en liep naar de koelkast om iets te eten. Toen ben ik eens naar de dokter gegaan en heb me laten onderzoeken. Er kwam uit dat mijn schildklier te snel werkte. Ik kreeg een tablettenkuur, die twee jaar zou duren. Eén tablet per dag en de eetlust was normaal. Om de drie maanden moest ik terug komen om bloed te prikken en als alles goed was, kreeg ik weer tabletten voor drie maanden. De kuur ben ik begonnen in januari. De week voor de Lourdesreis van september van dat zelfde jaar, waren de tabletten op en ik had het te druk gehad en was vergeten naar de dokter te gaan bloedprikken. In Lourdes heb ik voor de Grot gestaan en Maria gezegd, dat ik voor me zelf niets had te vragen, want het ging mij goed. Die tabletten, die zorgden voor een gezonde eetlust, dus daar had ik geen probleem meer mee. Toen ik in de baden ging, had ik wel een heel vreemde ervaring. Het is eigelijk niet te omschrijven wat daar in dat water door me heen ging. Maria wist wel wat ik nodig had. De maandag na de reis ben ik gaan bloedprikken en toen ik tien dagen daarna bij de dokter kwam zei zij dat alles goed was en dat we gewoon door gingen. Nadat ik haar verteld had dat al bijna een maand zonder tabletten was, stelde ze voor het verder zonder te doen en voor Kerstmis nog eens bloed te laten prikken. Als het verkeerd ging, dan kon ik eerder komen en dan kreeg ik alsnog een recept. Het bloed was voor de Kerst ook goed en dus is de schildklier, sinds de Lourdesreis van september, gezond. Dus een kwaal waarvoor een kuur die twee jaar zou duren nodig is, is na negen maanden en een bezoek aan de Grot en het bad in Lourdes genezen. Als dat geen wonder is.

Nog een gebedsverhoring die ik persoonlijk heb meegemaakt is het volgende verhaal:

Ik zat met een probleem, waarmee ik helemaal geen raad wist. Voor de Grot heb ik Maria om een oplossing gevraagd. Natuurlijk kreeg ik direct geen antwoord. Daags daarna dat ik het Maria had gevraagd, kom ik in het hotel met een metgezel in gesprek. Hij vertelde van een probleem, waarmee hij gezeten had en hoe hij dit had opgelost. Zijn probleem was ongeveer hetzelfde als het mijne. Hij wist niets van mij probleem en weet het nog niet. Ik heb mijn probleem op de zelfde manier opgelost. Maria heeft mij geholpen door mij met die persoon in gesprek te laten komen.

Veel genezingen worden niet aan de grote klok gehangen. Als je zo’n genezing officieel als genezing in Lourdes wilt hebben, dan volgt een lange moeilijke weg van onderzoeken, ondervragingen en nog eens onderzoekingen. De meesten vinden dat te lastig en zijn al tevreden met de wetenschap dat Maria hen geholpen heeft. Voor mij hoeft die rompslomp ook niet. Als er iemand is die deze genezing van mij niet gelooft of er de een of andere verklaring voor gaat geven, moet het zelf maar weten. Voor mij is het zeker dat Maria mij heeft geholpen.

Er zijn in Lourdes ook vele mensen, die niet geloofden, gekomen tot het geloof. Daarvoor hebben ook al die zieken, die daar laten zien dat ziek zijn geen verdriet hoeft te zijn, maar dat je als zieke ook gelukkig kunt zijn. Met een handicap hoef je niet zielig te zijn, integendeel, vaak zijn deze mensen gelukkiger als wij die denken dat we gezond zijn. Onder al die mensen, die hier rondlopen en waarvan je denkt dat ze bij de gezonde mensen horen, kunnen ook zieken zijn maar als je maag of darmpatiënt bent dan ziet men het niet van de buitenkant. Toch kan zo iemand veel pijn hebben.

Een punt van kritiek, wat ik ook vaker hoor, is dat er in Lourdes zoveel commercie is en dat alles er zo duur is. Die Lourdenezen worden daar steenrijk van, wordt dan gezegd. Die winkeliers zullen er best een boterham aan verdienen, mogen ze. Zij moeten toch ook leven. Dan nog dit, in een plaats waar jaarlijks zo’n acht tot negen miljoen mensen komen, die allen minstens een souveniertje naar huis willen nemen, zouden ze gek zijn als zij ze niet zouden verkopen. De hotels en cafeetjes zijn ook nodig, om al die mensen te laten overnachten en iets te laten drinken en eten. Lourdes bestaat uit een paar delen. De oude stad, daar waar de Lourdenees woont en winkelt. Het hotel gedeelte waar de hotels en winkeltjes zijn en het Heiligdom. Hier is niets van al die hektiek die je in het hotel gedeelte ziet. Hier wordt, behalve kaarsen, ook niets verkocht. Hier heerst rust en vrede. Door dat er zoveel mensen komen wordt het onderhoud van de stad ook duurder en wat dacht je dat het Heiligdom kwijt is per jaar aan onderhoud van al de gebouwen en de lonen van de 500 medewerkers.

Een vervelende bijkomstigheid van Lourdes is, dat waar zoveel mensen komen, komen ook mensen met minder goede bedoelingen. Er wordt vaak gewaarschuwd voor zakkenrollers. Ook bedelaars vallen je geregeld lastig. Voor de diverse diensten wordt er voor die bedelaars gewaarschuwd. Geef ze niets, zij kunnen als ze wat nodig hebben, zich melden op een kantoor en ze worden geholpen. Ik heb met eigen ogen gezien hoe van de bedelende zigeuners, die altijd zo zielig doen, met veel gouden ringen om, die meer geld kosten als ik in drie maanden verdien, naar huis gingen in heel dure auto’s. Je ziet ook overal mannen zitten, die bedelen om geld, met een bordje voor zich, waarop staat hoe zielig ze wel zijn. Eens sprak ons een man aan. Wij deden net alsof we hem niet verstonden. Toen begon hij in slecht Duits, dat hij werkloos was en zijn vrouw en kinderen niets te eten hadden. Toen een van ons hem een broodje aanbood, weigerde hij dit. Zoveel honger had hij dan toch niet. Toen we daar iets van zeiden, liep hij kwaad weg.

Een reis, die ik ook nooit vergeten zal, is al enkele jaren geleden geweest. Mijn vrouw was er niet bij en ik deelde mijn kamer met een goede vriend, ook een koorlid. Men had ons gevraagd of we samen met een oudere heer wilden optrekken en deze zou dan ook op onze kamer liggen. Deze man was 76 jaar en hartpatiënt. We moesten er voor zorgen, dat hij zijn tabletten niet vergat en wat het belangrijkste was, hij mocht bij die tabletten absoluut geen alcohol drinken. Hij zou dan diaree krijgen. Toen hij in Hoensbroek in de bus stapte, ging het niet zonder hulp. Hij vond het niet erg als we hem opa noemden en die naam heeft hij dan ook de hele reis gehad. In Nevers had hij toch wat van die tafelwijn gehad en ja hoor, 's nachts heeft hij de broek vol gedaan. Hij was zelf nog goed in zijn doen en heeft zich zelf verschoond. Men had ons toen pas vertelt dat hij geen alcohol mocht hebben. Foutje. Vanaf die dag hebben we er goed op gelet, dat hij geen alcohol kreeg of pakte. Wel heeft hij in het begin een paar keer aan ons gevraagd of we met hem een glas bier wilden drinken, maar dat hebben we dan afgewezen en hem er op gewezen dat hij dat niet mag. Al vlug had hij dat in de gaten en heeft het niet meer geprobeerd. We zijn met hem in Lourdes overal waar hij kon komen geweest. 's Nachts lag hij altijd te snurken dat het een lieve lust was. Omdat mijn vriend dat ook deed, was dat geen ramp, want ik kon nu naar stereosnurken luisteren. Eens op een nacht werd ik wakker en hoorde niets. Niemand snurkte. Langzaam werd ik bang dat opa misschien niet meer onder ons was. Ik dacht aan het ergste en wilde net mijn kameraad wekken om samen eens naar opa te kijken, toen er vanuit de hoek van opa een vreselijk gegorgel kwam en gevolgd werd door zijn normaal gesnurk. Het is niet te geloven hoe blij ik was om iemand zo hard te horen snurken. Omdat opa niet de grote Kruisweg kon lopen, hebben we met hem de Ziekenkruisweg gedaan. De man, die normaal de Ziekenkruisweg voorbad, wilde ook eens de Grote lopen en dus heb ik die keer zijn taak overgenomen.

Opa wilde ook in het bad, maar omdat hij zo’n zwaar hartpatiënt was, durfden we hem daar niet in dat ijskoude water te laten onderdompelen. We besloten in overleg, dat wij een kan Lourdes water in het bad bij ons op de kamer zouden doen en dan bijvullen met warm water uit de kraan. Maar het volgende probleem deed zich voor. Hij durfde niet het bad in. Hij was bang dat hij zou vallen. Wat nu? Er zijn bij het koor ook leden, die in de gezondheidszorg werken. Ik ben toen aan één gaan vragen of hij even wilde helpen. Samen met hem hebben we opa toen in het bad gekregen. Hij heeft zich toen zelf gewassen en toen hij klaar was, riep hij ons weer en werd hij weer uit het bad geholpen. Uit zijn verhalen hoorden we al gauw dat hij erg eenzaam moest zijn. Hij vertelde bijvoorbeeld, dat hij met zijn vriend Piet, die hadden ze twee jaar geleden begraven, dit had gedaan. Een ook met zijn collega Jan, die hadden ze vijf jaar geleden begraven. En zo was iedereen, die hij kende, al begraven. Zijn vrouw was ook al zes jaar dood. Zijn dochter woonde ergens boven in Holland, dus die zag hij ook niet zo vaak. Aan het einde van de reis, toen hij in Hoensbroek weer de bus uitstapte, was hij veel beter. Hij had geen hulp nodig om in en uit te stappen. Later op de terugkomavond vertelde hij ook, dat de reis hem zo goed had gedaan en bedankte ons twee nog eens extra voor de goede zorgen. Als je hoort, dat dat beetje aandacht wat je die man op die reis hebt gegeven, hem zo goed heeft gedaan, dan geeft dat een voldaan gevoel. Hij hoeft je niet zo persoonlijk in het voetlicht te zetten. Ik wordt er dan een beetje verlegen van. Dat beetje, wat ik gedaan heb, is niets vergeleken wat Maria bij opa heeft gedaan.

Deze ervaring heb ik later nog eens zachtjes over mogen doen. Toen heb ik nog eens met een oude man op de kamer gelegen. Hij was jonger, achter in de zestig, en niet zo ziek. We hebben toen ook samen de gehele reis met elkaar opgetrokken. Hij was al eens vaker in Lourdes geweest met een andere touroperator, zo’n commercieel bedrijf, maar dat was niets vergeleken met onze reis. Als hij nog eens naar Lourdes zou willen, dan ging hij weer met ons. Bij zo’n commercieel bedrijf wordt je in het hotel gedumpt en een week later weer opgehaald. Wat je in de tussentijd doet, zoek je zelf maar uit. Dit zal bij onze reis niet gebeuren.

Een ander ervaring wat duidt op de hulp van boven is de volgende:

Mijn kameraad en ik waren op het Heiligdom en zaten aan de overkant van de Gave in de zon. We praten over hoe het er hier vroeger uit zag. In de tijd dat Bernadette naar de Grot ging. Uit beschrijvingen in boeken waren we dat een beetje aan het reconstrueren. Waar nu het infocentrum staat, daar moet de houtmolen van Say gestaan hebben en voor de Grot liep de Molenbeek. Iets voorbij de Grot stroomde deze in de Gave. De Gave zelf stroomde ook dichter bij de Grot. Deze is, om het plein voor de Grot te vergroten, een stuk omgelegd. Ongeveer tussen de Bibliotheek en de Ondergrondse Basiliek kwam de weg vanuit Lourdes richting molen en Grot uit. Ik herinnerde me opeens dat in het Bernadette Museum een maquette stond van hoe het er toen uit heeft gezien. We lopen naar het Museum om te zien of we het een beetje goed hadden. De zon verdween achter een wolk en net op het moment dat we in het museum waren, barsten een noodweer los, dat zijn weerga niet kende. Zo hebben ze me aan die maquette laten herinneren, zodat we op tijd binnen waren. We hadden geen jas bij ons, dus waren we drijf nat geworden.

Hoofdstuk 9: Meer Lourdeservaringen (deel 2)

Ook een mooie reis was de septemberreis in 1999. Ter gelegenheid van ons 25-jarig huwelijksfeest gingen we samen met onze kinderen en de vriendin van mijn tweede zoon Maria bedanken voor die 25 jaar. Na een onverwacht mooie avond thuis met de hele familie van mijn kant en van Trudie haar kant gingen we met z’n zessen mee naar Lourdes. We hebben er samen een groot feest van gemaakt. We zijn niet de hele tijd op het Heiligdom geweest, dat moet je niet met jeugd doen. Er zijn verschillende toeristische trekpleisters in Lourdes en omgeving. De kinderen en ik zijn de eerste dag de Pic de Jer opgelopen. Dit is de huisberg van Lourdes. Hij is zo’n 1.100 meter hoog en boven op de top staat een uitkijktoren. Om 10 uur zijn we vertrokken en rond half 1 waren we na een hele mooie wandeling over smalle paadjes door bossen en later, na een keer verkeerd te zijn gelopen, boven op de top. Het laatste stuk ging eerst over een breed pad en daarna over een smal paadje met trappetjes tot aan de uitzichttoren. Het uitzicht is vanaf hier fantastisch. Je kunt heel Lourdes overzien en ook de achterliggende dorpjes zoals, Bartres. Aan de andere kant kun je ver het dal van de Gave inkijken en heb je een grootse blik over de Pyreneeën. Omdat er ook een tandradbaan naar boven gaat, wilden we met deze naar beneden. Het bergstation van deze baan staat zo’n 30 meter onder de top. Er staat een cafeetje bij. Toen we daar aankwamen, was alles gesloten. Middagpauze tot half 2. We besloten dat uurtje te wachten. Het was al iets over half 2 toen er beweging kwam op het spoorbaantje. Het treintje met het personeel kwam naar boven. De treinbestuurder kwam naar ons toe en vroeg iets in het Frans natuurlijk. Ik kon er uit opmaken, dat hij vroeg of we met het treintje naar beneden wilden. Mijn antwoord was: “wie,wie, noa onger.” In slecht Frans en goed Limburgs. Toen de vriendin van mijn zoon merkte dat hij het verstaan had, moest ze er hard om lachen. Eerst moesten we in het cafeetje de kaartjes kopen, hij zou wel even op ons wachten. Het tochtje met dat treintje is een avontuur op zich. Het rammelde zo, dat je dacht dat het elk moment uit elkaar zou vallen. In het midden passeerden de opgaande en de dalende trein elkaar. Omdat dat het zo’n gammel geval was, zou het me niet verwonderen dat ze beide over hetzelfde spoor zouden willen. Gelukkig ging het goed en reed ieder trein op zijn eigen spoor. We kwamen gezond en wel beneden.

We zijn ook nog naar het kasteel geweest. Daarin is een streekmuseum gevestigd. Echt de moeite waard om te bezichtigen. Je kunt daar zien, hoe er vroeger in de streek geleefd werd. Je bereikt het kasteel vanuit de Rue de Bourg. Onder aan de rots waarop het kasteel is gebouwd, komen we aan de kassa. We betalen de entree en dan hebben we twee mogelijkheden om boven te komen. De oude weg te voet en de moderne met de lift. Als je nog op straat staat, zie je van onder tot boven aan het kasteel een op het oog oude toren, maar de schijn bedriegt. In deze toren van recente datum bevindt zich namelijk een moderne lift. Hij is daar speciaal als liftkoker gebouwd. Wij gaan de oude weg naar boven. Het is een wirwar van muren poorten en paden. Het is ook vrij stijl. We komen boven op een binnenplein, omringd door diverse gebouwen. Binnenin die gebouwen is de tentoonstelling. Er worden verschillende inrichtingen van woningen van vroeger uitgebeeld met meubels, gebruiksartikelen en poppen in klederdracht. De moeite waard om er eens te gaan kijken. Als we de toren beklimmen, hebben we vanaf hier een prachtig uitzicht over Lourdes, zijn omgeving en het Heiligdom. Naar beneden gaan we met de lift. Kunnen we die ook eens uitproberen. Zo modern als ik dacht was hij nou ook weer niet. Hij rammelde een beetje. Niet zo hard als dat tandradbaantje, maar toch, een beetje beangstigend was het wel.

Verder bezochten we "Petit Lourdes", een miniatuur Lourdes á la Madurodam. Als je de Gave stroomopwaarts volgt op de rechter oever en je loopt de bebouwde kom uit, dan krijg je eerst een disco en daarna een gebouwtje, waarin de ingang en kassa is. Als we betalen willen, komt er nog een groep van 6 mensen aan. Samen zijn we met z’n twaalven. De caissière stelt voor dat we een groep zijn en zo krijgen we korting op de entree. Dat scheelt een paar frankjes en dat is mooi meegenomen. Als we de vreemden voor laten gaan, komen we eerst in een zaaltje, waar ze een modelspoorbaan hebben gebouwd. Er rijdt een stoomtreintje rond en het moet het station van Lourdes voorstellen. Of dat klopt weet ik niet, want ik heb het station nog nooit gezien. Een tip als ik weer in Lourdes ben: "het station bekijken". Nu komen we buiten en hebben meteen zicht op het oude Lourdes. Op een rots hebben ze het kasteel nagebouwd met er voor de stad. De voornaamste huizen staan er, zoals de kerk, pastorie, markt en natuurlijk het cachot. Bij die huisjes staan nummers en in een boekje kun je dan opzoeken welk huisje het is. Langs de Laccapabeek staan alle molens die er destijds stonden. De molen van Boly en de molen van Lacadè staan genummerd. Als we het pad volgen zien we duidelijk de weg die Bernadette liep naar de Grot, aangegeven met een rode lijn. De molen van Say, het bruggetje en tenslotte staan we voor het grotje. Het is net echt als we daar staan. Een groep Italianen komt achter en voor ons staan, net als bij de echte Grot. We gaan weer het gebouw in en zien daar een prachtig stukje huisvlijt. Hier staat een maquette van de Grot, de rots en daar bovenop de basiliek. Dit is gemaakt door een werkman uit Noord-Frankrijk in zijn vrije tijd. De gekroonde Madonna staat er ook bij. Het hekwerk dat om het beeld staat, is van heel fijn draad gemaakt. Hier heeft hij wel veel geduld voor moeten hebben. Als je op een knop drukt, hoor je zacht het Avé Maria zingen en krijg je in de verschillende talen uitleg over dit kunstwerk. Via een souvenirwinkeltje kom je dan weer buiten.

We hebben die reis veel met onze kinderen gedaan en ons soms als "toeristen" gedragen, wel netjes, maar ook hebben we de Lichtprocessie niet één keer overgeslagen. Ook zijn samen met zijn allen naar de Grot gegaan om daar Maria te bedanken voor de 25 jaar, dat mijn vrouw en ik samen getrouwd zijn. Tijdens de mis uit dankbaarheid op onze trouwdag hebben we van onze kapelaan een kaars gekregen met het verzoek deze, als we in Lourdes waren, met de intenties van de hele parochie bij de Grot op te steken. Dit hebben we dan ook gedaan. Het was een soort trouwkaars en viel goed op tussen de andere kaarsen. Maria heeft hem zeker gezien.

Tijdens de eerste avond in Lourdes van één van de reizen kwamen we in aanraking met een Duitse baron die met zo’n 90 zieken hier was. Hij had een klein probleempje. Er waren te weinig helpers en er waren enkele zieken die de stad in wilden om souvenirs te kopen. Wat was hij blij toen wij meteen paar man aanboden om daags daarna met die mensen te gaan winkelen. 's Middags om 1 uur stonden we bij de accueil en de zieken stonden al klaar in de rolstoelen. We zijn met hen de hele stad doorgelopen. In de rolstoel, die ik duwde, zat een vrouw van ongeveer 55 jaar. Zij was zwaar lichamelijk gehandicapt en sprak daardoor wat moeilijk. In het begin verstond ik haar niet zo goed, maar naarmate we verder liepen, ging het veel beter. We besloten nog ergens een kopje koffie te gaan drinken en gingen een cafeetje in. Er moesten wat stoelen verzet worden om de rolstoelen aan de tafel te krijgen, maar na enig geschuif was het toch gelukt. Mijn vrouwtje vroeg toen een beetje verlegen aan mij of ze hier ook thee hadden, want ze lustte geen koffie. Toen ik haar zei, dat als ze hier geen thee hadden we naar een ander café gingen, was ze gerust gesteld. Na de koffie en thee zijn we weer teruggegaan naar het accueil. Net op tijd want ze gingen naar de Ziekenzegening en ze stonden op ons te wachten. 's Avonds heb ik haar nog eens opgezocht en heb ik haar een roosje gegeven. Noch enkele jaren heb haar geschreven. Ze was het jaar daarna 40 jaar in een tehuis en dat werd groot gevierd. Ik mocht ook komen, maar ze woonde in Zuid-Duitsland. Dat was net iets te ver. Of ze nog leeft, weet ik niet, maar opeens schreef ze me niet meer terug, waarom weet ik niet.

Het koor heeft ook een keer in het accueil St. Bernadette voor een groep Nederlandse zieken gezongen. Dit was ook heel leuk. We waren uitgenodigd door de leiding van die groep van een tehuis voor geestelijk gehandicapten uit Brabant. Toen we aankwamen, stond een van hen met een plastic cameraatje ons zogenaamd te filmen. Toen de muziek werd opgesteld was hij er niet meer bij weg te slaan. Hij vergat nog te filmen. De anderen zaten ongeduldig te wachten tot we zouden beginnen. Onze “cameraman” zat vol interesse naar de organist te kijken. Het scheelde niet veel of hij zat ook aan het orgel. Toen de dirigent hem uitnodigde ook eens te dirigeren kon voor hem de dag niet meer stuk. Terwijl de rest van het publiek luid meezong, zwaaide hij met zijn lange armen er driftig op los. De zangers, die vooraan stonden, moesten echt opletten anders kregen ze een klap. Het werd een dolle middag. De mensen hebben genoten, maar wij ook. Weer zo’n ervaring die je niet vergeet.

We hebben ook eens het Ille St. Pierre bezocht. Dit is een park met gebouwen waar pelgrims komen, die dit normaal niet zouden kunnen, omdat ze te arm zijn. Zij kunnen er verblijven voor een vrijwillige bijdrage. Er wordt gevraagd te geven wat ze ook aan levensonderhoud moesten uitgeven als ze thuis gebleven waren. Er staat een grote ton en daar moeten ze dan een enveloppe met dat geld in doen. Ook pelgrims die te voet komen, kunnen daar overnachten. Er is een gezamenlijke eetzaal en men moet ook meehelpen met koken en afwassen. Er is ook een werkplaats, waar misgewaden en andere benodigdheden voor de mis gemaakt worden. Leuk was een koffertje voor een priester, die in de missie van dorp naar dorp moet reizen en zo alles bij zich heeft om de mis te doen. Deze verkoop, de giften van de bewoners en andere donaties, maken het mogelijk dat dit kan bestaan. Dit onderkomen voor armen is door Bernadette zelf gevraagd. Eerst heeft het op het Heiligdom gestaan, waar nu de Ondergrondse basiliek staat, maar dat was begin 1900 afgebrand. Later heeft een Franse edelman dit Ille St. Pierre voor de armen gebouwd. Hij ligt op het terrein begraven naast de kapel. Deze kapel heeft de vorm van de schaapskooi, waar Bernadette de schapen hoedde in Bartres.

Als we Lourdes naar het noorden verlaten, komen we na ongeveer 3 kilometer in Bartres. Hier vinden we nog de boerderij van de familie Laques. Mevrouw Marie Laques was de voedster van Bernadette, toen haar moeder zich verbrand had en Bernadette niet meer kon voeden. Hier heeft Bernadette, totdat ze ruim een jaar oud was, geleefd. In het najaar van 1857 is ze hier teruggekomen om te helpen in het huishouden en om op de schapen te passen. Begin januari 1858 is ze weer naar huis gekomen, omdat ze haar H. communie wilde doen en in Bartres was geen pastoor die haar catechismusles kon geven. We zien verder in dit kleine dorpje nog een cafeetje en de kerk. Deze is gewijd aan Johannes de Doper. Een grote beeldengroep op het altaar laat hierover geen twijfel bestaan. Op het kleine kerkhof bezoeken we nog even het graf van Marie Laques. Op de terugweg komen we nog langs de schaapskooi van Bernadette haar schaapjes.

Nu we toch aan deze zijde van Lourdes zijn, gaan we een stuk de weg op richting Pau en zien al snel het Grieks-Orthodoxe kerkje. Dit is het bezoek wel waard. Van verre zie je al de torentjes met hun gouden uivormige daken. Binnen hangen veel iconen aan de wanden en zijn er veel versieringen aangebracht. Het is net zo’n kerkje, dat je verwacht in Rusland. Je ziet ze wel eens op de televisie in een film of documentaire.

De reizen zijn over het algemeen genomen altijd zonder problemen geweest; op twee reizen na. Die twee keer hebben we pech met de bus gehad. De eerste keer had de bus een lekke band. We waren op de terugweg. Toen gingen we nog via Bordeaux-Parijs. Ter hoogte van Poitiers ging de band kapot. Op een parkeerplaats langs de autobaan bij het Futurama, stonden we dan. De moeren van het wiel wilden niet los, dus er moest professionele hulp bij komen. Het was gelukkig goed weer. De zon scheen en het was heerlijk warm. We zijn van alles gaan doen om de tijd om te doden, zoals honkbal spelen in slowmotion. De een had een stuk stokbrood in de hand en de andere zou dan een sinaasappel gooien. Nu is met etenswaren gooien niet zo’n goed idee, dus er moest wat op gevonden worden. We gingen het in slowmotion doen en dat ging als volgt. De een stond klaar om te slaan. De gooier deed alsof hij gooide, maar gaf hem aan een derde. Deze droeg de sinaasappel door de lucht tot aan de slagman. Deze haalde langzaam uit met het stokbrood tot tegen de sinaasappel, die vervolgens door de drager weer verder gedragen werd alsof hij weg vloog. Nummer vier stond dan om hem zogenaamd op te vangen. Zo hebben we een hele wedstrijd gespeeld. We hadden tijd genoeg, want toen die professionele hulp kwam had hij geen gereedschap bij zich om aan een bus te werken. Hij dacht dat het zo’n klein busje was. Dus moest hij weer naar huis ander gereedschap halen. Weer een uur wachten. Toen hij weer terug was, was het snel gebeurd en konden we onze thuisreis zonder verdere problemen voortzetten. We waren door dit oponthoud ruim drie uur later thuis dan normaal.

De tweede keer was ook op de terugweg; bij Visè, dus bijna thuis. De bus hield er zomaar ineens mee op. Eerst dacht de chauffeur aan een lege tank, maar nadat ergens dieselolie was gehaald, bleek dat dit het niet was. Er stopte al een politieauto achter ons en vroeg wat het probleem was. Nadat de chauffeur het had uitgelegd, belde de politie de wegenwacht en deze was snel ter plaatse. In de tussentijd zaten wij maar in de bus te niksen. We mochten niet naar buiten, omdat we langs de autobaan stonden. Ik heb toen een polonaise ingezet en ben met degenen, die ook wilden, de voordeur uit, tussen de vangrail en de bus in naar de achterdeur en dan daar weer naar binnen en luid zingend: “We gaan nog niet naar huis, nog lange niet, nog lange niet.” Na enige tijd hadden ze de bus aan het rijden. We zijn naar de eerste parkeerplaats gereden. Die was net in Nederland en daarheen had het busbedrijf een andere bus gestuurd. Alles werd overgeladen en we zijn verder naar huis gegaan. Dit oponthoud had de reis weer drie uur langer gemaakt.

Na één van de reizen had ik thuis een ervaring die heel anders was dan de andere. De reis was goed verlopen en er waren mooie herinneringen aan die reis verbonden. Het was een reis van een hechte band met iedereen en een grote verbondenheid en vriendschap onder elkaar. Bij thuiskomst ervoer ik de wereld om me heen vol van agressie en vijandschap. Het leek wel of niemand iets van een ander kon hebben en overal wat op wist aan te merken en af te kraken. Dit had ik vooral op mijn werk. Dit gevoel heeft zeker nog een week geduurd tot ik aan alles weer gewend was. Door de vrede en vriendschap die ik die week in Lourdes heb gevoeld, kwam de harde wereld als een zware teleurstelling bij mij over. Na een week realiseerde ik me, dat alles was zoals het altijd al geweest is, niet beter en niet slechter. Het was alleen maar vreemd voor mij omdat ik een week de liefde van Christus en Maria zo intens had gevoeld.

Hoofdstuk 10: De Lichtprossesie

Ik zal nu verslag doen van de Lichtprocessie en de daarbij behorende gebeden en gezangen op schrijven. We stellen ons op achterlangs de rechterboog en de laatsten staan op het plein bij de Grot. De Lichtprocessie begint met een vraag om stilte. Daarna wordt iedereen in verschillende talen welkom geheten en uitgenodigd de Processie mee te lopen. Dan wordt het kruisteken in het Latijn gemaakt:

"In nomine patri, filii et spiriti sancti, Amen"

We zingen nu het Salve Regina

Salve, regina, mater missericordiae,
Vita, dulcedo.et spes nostra, salve.
Ad te clamamus, exsules, filii Hevae.
Ad te suspiramus, gementes et flents in hac lacrimarum valle.
Ella ergo, advocata nostra,illos tuos misericorddes oculos ad nos converte.
Et Jesus, beneductus fructus ventris tui, nobis post hoc exsilium ostende.
O clemns,o pia, odulcis Virco Maria.

Dan volgen de geheimen

Maandag en donderdag de Blijde Geheimen

Eerste geheim: de engel Gabriel brengt Maria de blijde boodschap.
Tweede geheim: Maria bezoekt haar nicht Elisabeth.
Derde geheim: Jezus wordt geboren in de stal van Bethlehem
Vierde geheim. : Jezus wordt in de tempel opgedragen.
Vijfde geheim: Jezus wordt in de tempel terug gevonden.

Dinsdag en vrijdag de Droeve Geheimen

Eerste geheim: doodstrijd van Jezus.
Tweede geheim: Geseling van Jezus.
Derde geheim: de doornen kroning van Jezus.
Vierde geheim: Jezus draagt het kruis naar de berg van Golgota.
Vijfde geheim: Jezus sterft aan het kruis.

Woensdag, zaterdag en zondag de Glorievolle Geheimen

Eerste geheim: Jezus verrijst uit de doden.
Tweede geheim: De Hemelvaart van Jezus.
Derde geheim: De heilige Geest daalt neer over de apostelen en Maria.
Vierde geheim: Maria wordt in de hemel opgenomen.
Vijfde geheim: Maria wordt door de engelen gekroond

Aan het begin van ieder tientje wordt een geheim herdacht

Ieder tientje begint met het Onze Vader in het Latijn

Pater Noster
Quies in cealum
Sanctificètur nomentuum.
Adveniat regnum tuum.
Fiat voluntas tua, sicut incaelo et in terra.
Panem nostrum quotidianum da nobis hodie
Et dimitte nobis dèbita nostra, sicut et nos dimittimus debitoribus nostri.
Et ne nos inducas in tentationem
Sed libera nos a malo.
  
Dan volgt het Wees gegroet

Dit wordt in de verschillende talen voorgebeden
Nabidden geschiedt door ieder in hun eigen taal

Wees gegroet Maria
Vol van genade.
De heer is met u.
Gij zijt de gezegende onder de vrouwen
En gezegend is Jezus de vrucht van U schoot.
Heilige Maria
Moeder van God
Bid voor ons zondaars
Nu en in het uur van onze dood
Amen.

Ieder tientje eindigt met:

Gloria patri et filio etspirito santo
Sicut erat in pricipio et nunc et semper
Et in seculea seculorum
Amen 

Na het eerste tientje wordt een bekend lied gezongen. Het is gebaseerd op de melodie
van een bekend volkswijsje uit de Pyreneeën:

 

Te Lourdes op de bergen,
Verscheen in een grot.
Vol glans en vol luister,
De moeder van God
Ave, ave, ave Maria,
Ave, ave, ave Maria
 
Zij riep Bernadette,
Een nederig kind.
Wie zijt gij vroeg het meisje,
Die u daar bevindt.
Ave, ave, ave Maria,
Ave, ave, ave Maria.
 
Ik ben de onbevlekte,
En zuivere maagd.
Gans vrij van de zonden,
Heb ik God behead.
 Ave, ave, ave Maria,
Ave, ave, ave Maria.
 
Zij deed daar ontspringen,
Een klare fontein.
Met helende wateren,
Als klaar medicijn.
Ave, ave, ave Maria.
Ave, ave, ave Maria.

Van dit lied wordt weer telkens een couplet in de verschillende talen gezongen.
Bij het refrein steekt iedereen, die mee loopt, zijn of haar kaars omhoog.

Dan volgt weer het Pater Noster en het volgende tientje

Tussen het tweede en derde tientje wordt dan een lied gezongen, ook in de verschillende Talen.
Het is een lied dat geschreven is ter gelegenheid van het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Lourdes in 1983.
De Nederlandse tekst is dezelfde als van “te Lourdes op de bergen” alleen de melodie en het refrein is anders.

Laudate, laudate, laudate Mariam.
Laudate, laudate, laudate Mariam.   

Tussen het derde en vierde tientje wordt dan weer het “te Lourdes op de bergen”gezongen en tussen het vierde en vijfde ligt er aan hoe veel tijd er nog is of er nog iets gezongen wordt.

De mensen komen allen aan op het grote plein voor de Rozenkransbasiliek en de rolstoelen en de vaandels worden naar voren gedirigeerd. Voor het bordes worden de rolstoelen en wagentjes opgesteld. De begeleiders van de rolstoelen krijgen een plaats links van het bordes. De vaandels komen links op het bordes te staan. De priesters, die mee gelopen hebben, gaan naar rechts. Als de rozenkrans af is, wordt er nog een Marialied gezongen en daarna gaan alle priesters naar voren en zegenen gezamenlijk alle aanwezigen.

Tot slot wordt iedereen nog een goede nacht gewenst, weer in de diverse talen en iedereen gaat terug naar hun hotel of nog even naar de Grot.

Hoofdstuk 11: De Ziekenzegening

Iedere middag vindt er de Sacramentsprossesie plaats en aan sluitend de ziekenzegening. Voor dat de processie begint worden de zieken naar de ondergrondse basiliek gebracht en rond het altaar opgesteld. Daar achter kunnen dan de gezonde plaats nemen.

Om vier uur begint de processie vanuit de tent van aanbidding. Het Allerheiligste wordt nu door een bisschop, die in Lourdes is met pelgrims, onder begeleiding van andere priesters en vaandels, in processie naar de Ondergrondse Basiliek gedragen. Ondertussen wordt in de Basiliek gebeden en gezongen. Deze gebeden en liederen worden over het hele Heiligdom via luidsprekers gehoord. Als de processie de Basiliek in komt, gaan de vaandels voorop en stellen zich dan links en rechts naast het altaar op. Het Allerheiligste wordt op het altaar gezet en er wordt verder gebeden. Dan neemt de bisschop het Allerheiligste en gaat de zieken en gezonden langs en zegent hen. Voor mij is dit een moment, dat ik vaak een brok in mijn keel krijg en vaak ook tranen voel langs mijn wangen. De aanwezigheid van Onze Lieve Heer is duidelijk te voelen, dat zal mij zo emotioneel maken. Als er gezongen wordt, moet ik op dat moment mijn mond houden, want er komt dan toch geen noot uit. Na de zegening van de zieken volgt nog vanaf het altaar een algemene zegen en wordt het Allerheiligste weer terug gezet op het altaar. We zingen nu het Tantum ergo:

Tantum Ergo

Tantum ergo sacramentum
Veneremur cernui,
Et antiquum documentum
Novo cedat ritui;
Praestet fides supplementum
Sensuum defectui.

Genitori, Genitoque
Laus et jubilatio,
Salus honor, virtus quoque
sit et benedictio;
Procedenti ab utroque
Compar sit laudatio.
Amen.

Ter afsluiting wordt nog het benedictus gezongen hert Benedictus

Benedictus, qui venit in nomine Domini.
Hosanna in excelsis.

Dan wordt het Allerheiligste naar de sacristie gedragen, de vaandels gaan weg en de zieken worden naar buiten gereden en naar de aqueils teruggebracht.
De meeste wonderbaarlijke genezingen zijn tijdens deze ziekenzegening gebeurd. Vaak als de zieke nadat hij of zij in het bad was geweest en daarna naar de ziekenzegening werd gebracht.

Epiloog: Nog enkele woorden tot besluit

Ik hoop dat dit verhaal anderen inspireert om ook eens dit Heiligdom van Maria te bezoeken. Iedereen, die zich Christen noemt, moest hier eigenlijk eens heen. Maria heeft aan St Bernadette gevraagd om hier te komen in processie. Laten we dat met een zo groot mogelijk aantal doen en zo vaak als we kunnen.
Als er iemand met ons mee wil gaan, dan kunt u verdere informatie bij mij krijgen via de e-mail op het volgende adres, j.g.jager@home.nl  
Ik wil u graag van de nodige informatie voorzien en nog liever in Lourdes rondleiden en u ook de rust en vrede die over u komt hier bij onze hemelse Moeder laten voelen.

Reisdata Lourdes 2005:  
eerste reis van 2 mei tot 7 mei 2005
tweede reis van 26 september tot 1 oktober 2005
Laten we aan de vraag van Maria voldoen.    
Kijk voor meer Mariaverschijningen op de homepage van mijn vriend Leo: https://www.marypages.com/?lang=nl