Tomas

De apostel Tomas of Thomas ("tweeling"), ook wel Judas Thomas Didymus genoemd († Chennai, India, 21 december 72 - traditioneel), is een van de twaalf apostelen van Jezus uit het Nieuwe Testament. De uitdrukking "ongelovige thomas" komt van de gebeurtenis die wordt beschreven in het Evangelie volgens Johannes waarbij Tomas zei niet te geloven dat Jezus uit de dood was opgestaan totdat hij zijn vinger in Jezus' wonden zou leggen. Volgens de overlevering zou Tomas het christendom naar India hebben gebracht, waar hij ook zou zijn overleden. Aan Tomas worden diverse apocriefe werken toegeschreven.

De Bijbel verschaft weinig biografische informatie over Tomas. Hij wordt slechts enkele malen genoemd in de evangeliën. De eerste vermelding is direct na het overlijden van Lazarus. Jezus wilde terugkeren naar Judeawaar de Joden hem kort daarvoor wilden stenigen. Tomas zei daarop: "Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven." Tomas komt ook voor in het verslag van het Laatste Avondmaal. Jezus zei bij die gelegenheid dat hij een plaats voor zijn discipelen zou bereiden en dan zou terugkomen. Hij voegde daaraan toe: "Jullie kennen de weg naar waar ik heen ga." Tomas reageerde daarop met: "Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer, hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?" Het antwoord van Jezus luidde: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij."

Verreweg het bekendst is de passage waarin de discipelen de opgestane Jezus hebben gezien. Tomas was hier niet bij en kon het niet geloven. Hij zei: "Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven." Een week later verscheen Jezus weer; ditmaal was Tomas er wel bij. Jezus zei tegen hem: "Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof." Tomas antwoordde: "Mijn Heer, mijn God!" Jezus zei tegen hem: "Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven."

Jacobus de Voragine's Legenda aurea uit de dertiende eeuw bevestigt het beeld van Tomas als de ongelovige apostel. Toen Maria gestorven was, legden de leerlingen haar in het graf om vervolgens getuige te zijn van haar tenhemelopneming. Volgens De Voragine was Tomas ook dit keer afwezig en geloofde hij later niets van het verhaal dat de anderen hem vertelden. Pas toen uit de hemel Maria's gordel plotseling in zijn handen viel, realiseerde hij zich dat zij daar met lichaam en ziel was opgenomen.

In het evangelie van Johannes staan enkele malen, na de naam Tomas, de woorden “die Didymus wordt genoemd”. Het Griekse woord didymos heeft de betekenis van "tweeling". Dat is weer de vertaling van het woord thomas in de Semitische talen. Een van de leerlingen van Jezus werd dus benoemd als tweeling. In Johannes 14,21 staat Judas - niet Iskariot - zei tot Hem: "Heer, hoe komt het dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? . In oude Syrische vertalingen staat hier in plaats van Judas - niet Iskariot het woord Tomas of Judas Tomas. Het laatste heeft dan de betekenis van Judas de tweeling.

In Syrië werd Judas dan ook als de echte naam van Tomas beschouwd en vaak ook als de broer van Jezus. In Marcus 6,3 wordt Judas eveneens een broer van Jezus genoemd. In de Handelingen van Tomas, in Syrie geschreven, wordt hij soms Tomas , soms Judas en ook Judas Tomas genoemd. In die Handelingen verschijnt Jezus aan een bruidspaar dat de apostel had gezien en meldt hen Ik ben niet Judas die ook Tomas genoemd wordt, maar ik ben zijn broer. In het Boek van Thomas de Strijderricht Jezus zich tot Judas Tomas en wordt deze door hem als zijn tweelingbroer aangesproken.

 

Bron: Wikipedia